*

 

Prokofjevs ruwe diamant schittert vooral in orkestbak

Peter van der Lint − 26/01/07, 00:00

recensie

Symfonieorkest en koor van de Munt, solisten olv Kazushi Ono met ’Ognennyj angel’ (De vuurengel) van Prokofjev in een regie van Richard Jones op 23/1 in De Munt, Brussel. Te zien op 25, 26, 28, 30/1 en 2, 4, 8, 10/2.

Een ruwe diamant. Zo noemt De Munt in Brussel Prokofjevs opera ’Ognennyj angel’ (De vuurengel). Dinsdagavond bracht het Brusselse operahuis een nieuwe enscenering van dit onderhuids-schitterende en problematische werk in première; het is de eerste keer dat De Munt zich eraan waagt. Dat zegt wat, zeker gezien de band die Brussel met Prokofjev heeft. In 1929 presenteerde De Munt immers de wereldpremière van Prokofjevs opera ’De speler’.

Weinig operahuizen durven hun handen te branden aan deze ’Vuurengel’. De componist voltooide het werk na veel twijfels en blokkades in 1927, maar tot een uitvoering kwam het tijdens zijn leven niet. Pas in 1954 was er een concertante uitvoering in Parijs, een jaar later gevolgd door de scenische première in Venetië. In Rusland was de opera pas in 1984 voor het eerst te zien; nota bene in Perm en Tasjkent, ver weg van de beroemde Russische operacentra. In Nederland ontfermde de Vara-Matinee zich over het zorgenkind, waarna De Nederlandse Opera in 1990 volgde met het Concertgebouworkest, onder leiding van Riccardo Chailly, in de bak. Chailly dirigeerde ’De vuurengel’ daarna met opvallend veel succes in de Milanese Scala.

Kreeg De Munt de ruwe diamant geslepen? Niet alle facetten kwamen dinsdagavond glimmend aan de oppervlakte, maar in ieder geval was het orkestrale aandeel bij chef-dirigent Kazushi Ono in beste handen; een niet onbelangrijk aandeel. Veel van zijn onfortuinlijke ’Vuurengel’-muziek transplanteerde Prokofjev in 1928 naar zijn Derde symfonie en bewees daarmee onbedoeld hoe symfonisch deze operamuziek is. Ono zweepte met koele precisie de bezetenheid uit de partituur. Hoogtepunt was het intermezzo vóór de scène met Agrippa von Nettesheim, een pendant van het banale crescendo dat Sjostakovitsj in zijn ’Lady Macbeth’ ontketent als het lijk van Zinovi ontdekt wordt. Machtige muziek, machtig gespeeld.

Tijdens dit en andere intermezzi liet regisseur Richard Jones kruiwagens vol boeken in de vlammen kieperen. Verbrandingen van occulte rotzooi, verboden leesvoer. De opera handelt over Renata, een vrouw bezeten van Madiël, een vuurengel haar ooit verschenen. Wanhopig is ze naar hem op zoek en krijgt daarbij hulp van Ruprecht, die op zijn beurt wanhopig tot Renata probeert door te dringen. Faust en Mephisto duiken in het verhaal op, evenals een inquisiteur, een waarzegster en een klooster vol krijsende nonnen. Renata wordt door Jones uitgebeeld als een vrouw met multiple personality syndrome; zeven alter ego’s met enge maskers en hetzelfde jurkje omcirkelen Renata voortdurend.

Het toneelbeeld is simpel, maar doeltreffend met in de onderste toneelrand een langwerpige uitsparing die dienstdoet als doodskist of als prachtig predella waarin Renata als een renaissance-madonna verschijnt vlak voordat ze het nonnenklooster op stelten zet. Uiteindelijk verdwijnt Renata in de vlammen die eerder al die boeken verslonden.

Zware kost en dat geldt overdrachtelijk voor de zangers. Svetlana Sozdateleva zong de loodzware rol voor het eerst en deed dat nogal eenkleurig. Ook de stem van Igor Tarasov (Ruprecht) bleef ergens tussen toneel en auditorium hangen. Zangers en regie waren dus respectabel, maar uiteindelijk wist alleen dirigent Ono de ruwe diamant aan het sprankelen te krijgen.

mailIcon print |