*

 

’Onderhuids broedt er iets krankzinnigs’

door Inez Polak − 25/01/07, 00:00

opinie In Tel Aviv loopt de theatervoorstelling ’Badenheim 1939’, over Europese Joden in een vakantieoord vlak voor de Tweede Wereldoorlog. De dirigent ziet in de naïeve onbezorgdheid van toen gelijkenissen met de huidige situatie in Israël.

Tel Aviv 2007, de sushibar tegenover het Rabinplein is stampvol, bij café Aroma is het verwarmde buitenterras bezet tot het laatste tafeltje. De serveersters bij Tea Leaf and Coffee Bean en bij Arcafé rennen af en aan met hun salades, verse fruitdrank en moccacino’s. Tel Aviv eet, drinkt, gaat uit, Tel Aviv laaft zich aan het leven. De stad zonder pauze, zo noemt zij zichzelf. „Wist je dat het Israëlisch Filharmonisch meer abonnees heeft dan het New York Metropolitan en het Londense Philharmonic bijelkaar? Wist je dat alleen al de drie grote theatergezelschappen in Tel Aviv 35.000 abonnees hebben? En wist je’’, zo voegt Gil Shochat toe, „dat er vrijwel nergens zo’n bruisende homoscene is als hier? Dit is Tel Aviv: eet en drink, want morgen zult gij sterven.”

Shochat heeft zojuist de vijftiende voorstelling achter de rug van het theaterstuk ’Badenheim 1939’. Hij is de componist en dirigent van het tot toneelvoorstelling omgewerkte boek van de Israëlische schrijver Aharon Appelfeld.

Badenheim 1939: in een fictief vakantieoord komen in de zomer van 1939 gasten bijeen, in afwachting van een jaarlijks kunstfestival. De meesten zijn geassimileerde Joden, die elk jaar naar hetzelfde hotel komen, om de bloemetjes buiten te zetten, te dineren, naar muziek te luisteren, te dansen, te flirten. Dit jaar moeten ze zich melden bij de Sanitaire Dienst, ze worden onderzocht, gemeten, moeten zich registreren. Aan het eind van de zomer zullen ze in wagons worden geladen en naar Polen worden vervoerd. Ze pakken hun koffers in en stappen in, nog altijd feestend, vrolijk, haast vol verwachting. „De reis kan nooit zo lang duren als de wagons zo vuil zijn’’, meent een van de gasten. „Ik neem weinig mee, daar in Polen zullen ze me accepteren zoals ik ben’’, zegt een ander, al dansend. Ze vertrekken als het ware op weg naar een nieuw, nog mooier festival. Wat blijft is het orkest, de muziek, een snerpend lied.

„Voor mij zijn dit memoires’’, vertelt auteur Aharon Appelfeld. „Ik was daar. Mijn ouders gingen elk jaar naar zo’n vakantieoord. Ze zagen zichzelf niet als Joden, maar als ware Europeanen. De buren zagen ons natuurlijk wel als Joden. Het vakantieoord zat vol met dit soort geassimileerde Joden die zichzelf niet als Joden beschouwden, die wilden ontsnappen. Dat vakantieoord is voor mij een herinnering, maar goede memoires verwoorden ook een idee. ’Badenheim 1939’ gaat over het zelfbedrog dat in ons allen zit: we leven in een fantasiewereld, we sluiten onze ogen. Dat zijn de momenten waarop zelfbedrog catastrofaal kan worden. Badenheim was vol zoete festiviteiten, maar de duivels lagen op de loer.’’

Componist en dirigent Shochat (33): „Ik heb de Holocaust niet meegemaakt, maar ik ben wel een kind van overlevenden. Mijn grootvader was piloot in het Rode Leger. Hij moest zijn eigen dorp bombarderen, omdat de Duitsers daar zaten. Badenheim omvat voor mij geen memoires, maar is een festijn, waarbij onderhuids iets krankzinnigs broedt. Ook vandaag leven we in zo een festijn.’’

Schrijver Appelfeld: „Ik was acht jaar toen de oorlog uitbrak en ik werd gescheiden van mijn familie. Ik heb in het getto gewoond, ik heb in een concentratiekamp gezeten en het is me gelukt te ontsnappen. Een groep Oekraïense boeven heeft mij geadopteerd, drie jaar lang. Mijn ronde blonde hoofd en mijn Oekra-iens hebben me gered. Niemand die me ervan verdacht dat ik Joods was. Toen de oorlog eindigde, was ik dertien. Ik heb veel geleerd in die vijf jaar.’’

Appelfeld werkte nog enige tijd in de keuken bij soldaten van het Rode Leger. Daarna sloot hij zich aan bij een groep vluchtelingen die door Europa zwierf.

In 1946 arriveerde hij via Italië in het toenmalige Palestina. Opnieuw werd hij opgepakt, nu door de Britse heersers die de illegale Joodse immigranten arresteerden. Enige maanden later kwam hij op een boerderij terecht, leerde Hebreeuws, dacht boer te worden, maar werd professor in de Hebreeuwse literatuur.

Appelfeld is klein van stuk, onopvallend, aarzelt op te staan als aan het eind van de voorstelling Shochat bekendmaakt dat de schrijver in de zaal zit. Zijn tientallen boeken zijn in meer dan dertig talen vertaald. „Een boek begint voor mij met een melodie in mijn hoofd. Bij Badenheim kreeg ik walsmuziek in mijn hoofd. Na de melodie volgen de beelden, het plot en dan pas komen de woorden. Een zin zonder muziek is een holle zin. Proza is als een symfonie.’’

Componist Shochat heeft de woorden van Appelfeld terugvertaald naar muziek. Dromerige fluiten, onheilspellende violen, keurige kamermuziek, een kitscherige wals, uitgelaten ragtime, meeslepende jazz, en dreigende trommels begeleiden de acteurs. Zij praten niet, ze bewegen, dansen, flirten, vullen de straten van Badenheim met leven, met verlangen naar leven. Een in zwart geklede verteller beschrijft de gebeurtenissen, sec, in een minimum aan woorden. Muziek, verhaal, decors, acteurs, dansers creëren samen een alle zintuigen rakende ervaring. Het publiek vult zelf het verhaal aan, het kent de afloop.

Appelfeld: „We kwamen naar Israël in de verwachting dat we hier veilig zouden zijn, dat we hier Israëliërs zouden zijn, niet Joden. Maar de wereld ziet ons weer als Joden, als de duivels van de wereld.”

„Ik zie in het buitenland hoe we weer gedemoniseerd worden als natie. We zijn een maatschappij waarin elke tweede, elke derde persoon zijn familie is kwijtgeraakt. En ineens zijn we de duivel, ineens heeft Israël het ergste regime ter wereld. In Iran zit iemand die dagelijks declameert dat Israël van de aardbodem moet verdwijnen, en Europa, waar zo veel Joden zijn vermoord, zwijgt.’’

Shochat componeerde de muziek voor ’Badenheim 1939’ met het boek van Appelfeld open op tafel. Shochat: „Het was een constante interactie met de tekst.’’ Hij werkte er aan in Tel Aviv en in Parijs. „In Tel Aviv is het moeilijker werken, het is een rumoerige, nerveuze stad, waarin je continu gestoord wordt door de geluidsgolven van alle antennes. Parijs is voor mij psychisch makkelijker. Het was mijn bedoeling om het verhaal universeler te maken. Ik geloof oprecht dat Badenheim niet alleen over Joden gaat, maar over haat, slechtheid en naïviteit. Ook vandaag de dag leven we in een festival, en niet alleen hier in Tel Aviv.’’

Schrijver Appelfeld: „Naïviteit is niet per definitie slecht. Joden worden altijd gezien als slim en sluw. Ik had ooit een gesprek met Solzjenitsyn, die opmerkte dat als Joden zo sluw zijn, er toch wel erg weinig voor nodig was om ze de kampen in te lokken. Ze konden zich gewoon niet voorstellen dat dit kon gebeuren. Naïef zijn betekent ook puur zijn.’’

Buiten, op een tv-toestel bij een shoarmarestaurant, zet Hezbollahleider Nasrallah uiteen dat sterven als martelaar juist weer nieuw leven geeft. ’Idioot’, mompelt een gezette man, terwijl hij nog een hap van zijn pitabroodje neemt. Badenheim en Tel Aviv vloeien ineen.

Het boek ’Badenheim 1939’ is in het Nederlands vertaald en onlangs, opnieuw , uitgegeven door uitgeverij Ambo. ISBN 10:9026318944 Het theaterstuk zal volgend jaar in New York in de VN worden vertoond in het kader van de Holocaustherdenking.

mailIcon print |