recensie De cultuurfilosoof Claudio Magris is geobsedeerd door water. In zijn beroemde, nu herdrukte ’Donau’ is de rivier aanleiding voor een grootse geschiedenis van Midden-Europa. Het gisteren verschenen ’Blindelings’ is een voorlopig hoogtepunt in Magris’ vernieuwende oeuvre: hier is de zee alomtegenwoordig, als kolkende woordenstroom en als symbool van onbegrensde vrijheid.
Claudio Magris (1939) is minder Italiaan dan Europeaan. Dat merk je niet alleen aan de thema’s waaróver hij schrijft, maar ook aan de manier waaróp hij dat doet. Als cultuurfilosoof wordt hij geroemd om zijn vrije, grens- en cultuuroverschrijdende blik. Als schrijver excelleert Magris in vrije vormen en vernieuwende composities. Maar de twee zijn moeilijk uit elkaar te houden. De aantrekkingskracht van Magris’ werk zit juist in een vloeiende vermenging van herkenbare basistonen: een essayistische stijl, historisch gefundeerde micro-verhalen, en pregnante beschouwingen van cultuurfilosofische en cultuurhistorische aard.
Het thema van het water loopt als een rode draad door zijn hele oeuvre. Magris lijkt over de wereld, de geschiedenis en de levens van mensen het liefst te vertellen door middel van het water in al zijn verschijningsvormen – rivieren, zeeën, oceanen – en gebruik makend van alle mogelijke historische, culturele, symbolische en antropologische connotaties. Zijn belangrijkste werken zijn in een recente studie zelfs geanalyseerd als een epos van het water.
Onder deze noemer valt natuurlijk het inmiddels befaamde ’Donau’, een adembenemend relaas van honderden bladzijden dat de loop van de machtige rivier van Midden-Europa nauwgezet volgt, vanaf haar onbeduidende bron (een afvoerpijp, een dakgoot, of toch een lekkende kraan?) tot aan de monding in de Zwarte Zee. En overal waar Magris stilstaat, raakt het Donauwater aan de grote Geschiedenis (van Wenen tot Bratislava, van Sissi tot Kafka) maar evenzeer en even vaak aan de minstens zo belangrijke micro-geschiedenissen van onbekende plaatsen en mensen.
Vijf jaar later beschrijft de korte roman ’Een andere zee’ (1991) het leven van een jonge filosoof en graecus die vanuit zijn geboortestreek Istrië over de oceaan naar de uitgestrekte vlakten van Patagonië reist om daar als gaucho te werken. Het water en de zee (de bekende zee van thuis en de grote, onbekende oceaan) fungeren in dit intense leven als een grandioze achtergrond.
Ook in de prachtige ’micro-reisverhalen’ (de genre-aanduiding schiet ook hier schromelijk tekort) van ’Microcosmi’ (1998) spelen water en waterlandschappen een belangrijke rol.
In het recent vertaalde ’Blindelings’ (2005) bereikt Magris’ obsessie met de thematiek van het water een voorlopig hoogtepunt. De zee is hier alomaanwezig: als symbool van beweging, vrijheid, leven, vrouwelijkheid, onbeperkte mogelijkheden en kennis.
Maar de connotaties van het water beginnen in feite al bij de kolkende woordenstroom, de bruisende vloed van woorden, gedachten en idee-fixen van degene die van begin tot eind aan het woord is: een rusteloze, onsamenhangende ik-verteller die vele verschillende identiteiten in zich verenigt. ,,Wat moet je aan met al dat heen-en-weer gepraat, met al die dingen die over elkaar heen lopen, jaren en landen en zeeën en gevangenissen en gezichten en feiten en gedachten en nog eens gevangenissen en avondhemels in flarden waar stromen bloed uitkomen en wonden en vluchtpogingen en valpartijen... En het leven, al die levens, kun je niet bij elkaar houden. Bovendien heeft iemand die door onophoudelijke verhoren is uitgeput nog meer moeite om de dingen op een rij te zetten, zo vaak herkent hij zijn stem en zijn hart niet.”
Wie is deze ’hij’? Zijn klinische dossier van het Centrum voor Geestelijke Gezondheid vermeldt de naam „Cippico – ook Cipiko, Cipico – Salvatore”, opgenomen op 27.3.1992, ’na een eerdere spoedopname, een maand tevoren’, geboren te Hobart Town, Tasmanië, op 10.4.1910. Of klopt deze informatie toch niet? Net als in Zeno’s Bekentenissen en Brás Cubas’ Posthume herinneringen is Magris’ verteller oppermachtig. ,,Magnifiek, ik heb jullie beetgenomen. Het eerste is je naam veranderen en een vals adres opgeven. Zij hebben een manie om je eens en voor altijd in een vakje te plaatsen, om je alvast in een mooie nis bij te zetten, voornaam achternaam en adres eens en voor altijd door de begrafenisondernemer gebeiteld, jij op jouw beurt gooit namen, data, getallen door elkaar”.
Aanvankelijk word je op een bijna plezierige wijze door de stroom meegenomen, maar al snel krijg je het gevoel opgesloten te zijn in deze zieke geest. Je slaat keer op keer tegen een rots of een stuk wrakhout. Je wordt zeeziek door het stampen en rollen van het schip.
Deze ik-verteller is een postmoderne Argus met in plaats van honderd ogen honderd stemmen die voortdurend in elkaar overlopen. Hij vereenzelvigt zich met Jason, de mythologische held die met de Argo, ’s werelds eerste schip, het gulden vlies ging terughalen. Hij is de Deense Jorgen Jorgensen (1780-1841), die in 1809 IJslands onafhankelijkheid uitriep en er zelf negen weken koning was. Later werd hij veroordeeld tot levenslange dwangarbeid en op een ’schip van Charon’ verbannen naar Van Diemensland, het huidige Tasmanië.
In veel opzichten is ’Blindelings’ van een bijna ondraaglijke grootsheid. Door de ijlende hoofdpersoon word je meegesleurd in een maalstroom van obsessies en waanvoorstellingen. Er is eenvoudigweg geen ontkomen aan. Nooit krijg je rust. Met hem kruip je in de huid van, nee, bén je alle rebellen, vervolgden, bannelingen, gevangenen, en gemartelden. Alle verschrikkingen en alle terreur van de 20ste eeuw heeft hij aan den lijve ondervonden. Misschien kwam het door ’die manie om alles te betwisten’, die hij heeft geleerd van zijn vader. Zelfs toen de fascisten hem opsloten, hield deze trots vol: ’je tolereert niet wat onrechtvaardig is.’
En zo bevindt hij zich voortdurend in een mentaal limbo tussen wilde zee en onbeweeglijke gevangenschap. Tussen revolutie en afgedwongen acceptatie, tussen het nog steeds brandende geloof in idealen en het laffe conformeren aan heersende denkbeelden of erger, verraad. Tussen het vrije, levende water en het dode land.
Een overeenkomst tussen ’Donau’ en ’Blindelings’ is dat je met geen enkele samenvatting recht kunt doen aan hun complexiteit. Magris’ literaire vormen en stijlen getuigen keer op keer van een uitzonderlijke rijkdom en originaliteit. Geen van zijn teksten sluit aan bij een bestaand genre. Telkens rekt hij grenzen van genres op en verkent hij nieuwe expressieve mogelijkheden door genres in elkaar te laten overvloeien. ’Donau’ is geen roman, geen studie, geen essay, geen verhalenbundel, en toch doet het boek denken aan al deze verschillende genres tegelijkertijd. Ook ’Blindelings’ lijdt aan een dergelijke fascinerende onbestemdheid.
Je moet deze boeken ondergaan, je moet je laten meevoeren en onderdompelen. Dan raak je ook onherroepelijk in de ban van de onmiskenbare poëtische kwaliteit van dit proza. Een van de vele prijsuitreikingen in Italië werd opgeluisterd door een voordracht van fragmenten uit ’Blindelings’ met verzen van Baudelaire en muziek van Richard Strauss.
Inderdaad: door hun uiterst subtiele structuur en herhalingspatronen van beelden, motieven en woorden lezen grote stukken van dit werk als poëtisch proza waardoor je bij vlagen het beklemmende delirium vergeet. Maar het blijft wel poëtisch proza van een poète maudit. Sommige stukken doen denken aan Baudelaire of aan de in Italië gevierde en verguisde Dino Campana (1885-1932). ,,De nacht is wit en helder; er is geen nacht, alleen maar een altijddurende dag waarop de zon steeds lijkt te zijn ondergegaan maar nooit te verdwijnen.” Ook in deze prachtige poëzie domineert vooral het duister, het ijzingwekkende, zoals in deze onvergetelijke blik van Jorgen Jorgensen op de natuur in zijn woeste koninkrijk: ,,Bijna aan de grenzen van mijn rijk. Van de wereld? In Myvátn ijzige kou en kokende modder. Stralen lava spuiten omhoog en vallen in het ijskoude water, rotsen omklemmen elkaar, een onderbroken omhelzing. Treurnis bedekt de dingen, blauwe aderen strepen de grijze hemel – een opening naar dat blauwe licht, naar het Noorden... De ijskoude zee gaat woedend tekeer, witte schuimkoppen, een rijk van sneeuw. Het Noorden is dat verterende licht, zoals in Nyhavn. De zee... zwart, wit, woest. Het grijs sijpelt uit de hemel, ondraaglijk.”
Komende week bezoekt Claudio Magris Nederland. Op donderdag 15 februari, 20.00 uur, gaat hij in gesprek met Michaël Zeeman (voertaal Engels/Duits) in het Goethe Instituut, Herengracht 470, Amsterdam (020-5312900). Op 16 februari, 20.00 uur, bezoekt hij het Italiaans Cultureel Instituut, Keizersgracht 564, Amsterdam. (Italiaans met Nederlandse simultaanvertaling) (020-626 53 14). Reserveren aanbevolen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.