recensie Fred Lanzing zat in de oorlog in een jongenskamp in Nederlands-Indië, maar vond het verblijf daar – anders dan de gevestigde opvatting – allesbehalve vreselijk. Het was een zorgeloze en avontuurlijke tijd.
De grote stroom boeken over de oorlog in Nederlands-Indië/Indonesië is de laatste tijd wat aan het afnemen. Op zichzelf niet onoverkomelijk, want er zijn inmiddels letterlijk duizenden boeken over die verre oorlog en zijn gevolgen verschenen.
Van allerlei kanten zijn de Indische jaren bestudeerd, belicht en becommentarieerd. Opvallend is wel dat het dagelijkse leven voor de mensen buiten de kampen daarin verhoudingsgewijs een klein aandeel heeft.
’Voor Fredje is het kamp een paradijs’; deze titel springt er meteen uit en maakt nieuwsgierig. Temeer omdat de auteur in 1980 in het literaire maandblad Maatstaf zijn verblijf in de kampen afdeed onder de titel ’Geen school, geen schoenen, geen ouders’, en bij de beschrijving van de kampen een lichte toon overheerste.
Ook wordt in beide geschriften ingegaan op de beruchte kampbeul Sone, de Japanse luitenant, die later de doodstraf kreeg. Deze had een zekere genegenheid opgevat voor de elfjarige Lanzing, verbond zijn tropenzweren en gaf etenswaren mee. Opmerkelijk was destijds dat de Indische gemeenschap weinig van zich liet horen. terwijl het Maatstafartikel een faliekant andere teneur had dan de meeste kampboeken.
Ik begreep in gesprekken (ikzelf zat net als Lanzing destijds ook in zo'n jongenskamp – JvdB) dat deze mensen het niet geloofden. Immers, een Hollandse jongen liet zich zoiets niet welgevallen, was het commentaar. Maar er was meer. Lanzing noemde de internering een ’zorgeloze en soms avontuurlijke tijd’. Met die haast Britse afstandelijkheid wilde hij niet dat het laatste slechte jaar 1945, waarin de Japanners – want ook dát schrijft hij – zeer wreed en onmenselijk optraden, de toon aangaf.
De visie van Lanzing op het einde van de Pacific-oorlog: „Ik was helemaal op mezelf aangewezen; ik vond dat erg aangenaam. Het was spannend en opwindend. Ik weet niet of het onnozelheid was of dat ik van nature roekeloos ben, maar ik was geen seconde bang, ondanks het geschreeuw, de branden, het geschreeuw in de verte en de constante dreiging om me heen. Ik liep door een jongens boek.”
Door die instelling heeft hij – denk ik – de hele voorafgaande oorlog doorstaan en die andersluidende visie ontwikkeld. Dat kan soms onaangenaam overkomen bij diegenen die zich hebben vastgebeten in clichés.
Zo bestrijdt de auteur bijvoorbeeld de veelgehoorde opvatting dat de Nederlanders ’ons niet wilden horen’. De opvang in Nederland is, als je het goed bestudeert, op veel plaatsen redelijk goed te noemen. Een onlangs uitgekomen wetenschappelijk onderzoek onderschrijft dat.
Kortom, het boek ’Voor Fredje is het kamp een paradijs’ (een opmerking uit het dagboek van zijn moeder) biedt een eigenzinnig, maar zeer helder beeld van de toestand in de meeste jongenskampen. In zijn slotwoord schrijft Lanzing: „Het beeld van de vreselijke ’Jappenkampen’ is bijna onuitroeibaar in de publieke opinie (...). Ik doe daar niet aan mee.”
Het is goed dat – nu de stroom kampboeken aan het indammen is – dit prachtig en helder geschreven relaas nog verschijnt. Je zou willen dat heel veel mensen met ’Indische’ banden het kopen en lezen. Al was het maar als tegenstem bij het zoeken naar hun roots.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.