recensie Voor historici is het nog steeds opmerkelijk dat de provinciaal en bureaucraat Stalin in 1924 de opvolger werd van Lenin. Maar zo gek was dat niet, schrijft de biograaf Montefiore. Want Stalin was allesbehalve een ongeletterde boerenpummel. Hij was dichter en zanger, belezen en een theoretisch uitstekend onderlegd marxist. Maar hij was ook een grootmeester van de samenzwering.
’Er zijn twee soorten functionarissen’, moet de stichter van het Sovjetimperium eens hebben verzucht. ’Je hebt theeleuten en mannen van de daad.’
De voorkeur van Vladimir Iljitsj Oeljanov, alias ’Lenin’, ging uiteraard uit naar de ’mannen van de daad’. Aan die theeleuten had je niets. Ze waren te gematigd, te veel geneigd tot compromissen. Om revolutie te kunnen maken, had je mannen als Trotski en Stalin nodig. Hard, meedogenloos en uitgerust met de voor een revolutionair onmisbare bereidheid om over lijken te gaan. En van die mannen was Stalin het hardst, het meest meedogenloos en degene die met het grootste gemak over de hoogste bergen lijken stapte. Hij werd de favoriet van Lenin en na diens dood in 1924 uiteindelijk zijn opvolger.
Tientallen jaren hebben historici zich afgevraagd hoe dat mogelijk was. Van alle potentiële opvolgers van Lenin sprak Stalin het minst tot de verbeelding. Klein, pokdalig, boers, hoorde hij geen partij te zijn voor zijn veel briljantere rivalen, van wie de ster van Trotski het sterkst straalde. Stalin was volgens de typering van diezelfde Trotski een ’provinciale buitenstaander, een grijze bureaucraat’. Het was een karakteristiek die generaties historici hebben overgenomen en die tot voor kort het imago van Stalin heeft bepaald. Het klopte, niet ongebruikelijk met door vijanden opgeplakte etiketten, van geen kant.
Als het waar is dat ’het kind de vader van de man’ is, zou ten minste een deel van de oplossing van dat raadsel in de jeugd van Stalin gevonden kunnen worden. Bij zijn grote concurrent voor de titel van het grootste monster van de 20ste eeuw is daar dan ook gezocht. De publicaties over Hitlers jeugdjaren zijn niet te tellen. In de meeste aan Stalin gewijde biografieën komt de periode waarin hij opgroeide en in Georgië en de Kaukasus zijn eerste schreden op het revolutionaire toneel zette, er over het algemeen bekaaid af.
Dit verzuim is nu goedgemaakt door de Britse historicus Simon Sebag Montefiore. ’Stalins Jeugdjaren’ is de kroniek van de eerste veertig jaar van de latere despoot. Sebag Montefiore maakte vier jaar geleden furore met zijn ’Stalin. Het hof van de rode tsaar’, dat het van terreur doortrokken bewind van de tiran beschrijft. ’Stalins jeugdjaren’ is in feite het eerste deel van zijn nu voltooide Stalin-biografie.
Montefiore had bij zijn onderzoek het geluk dat slechts weinige historici is beschoren. Hij kreeg toegang tot vrijwel onontgonnen archieven in Georgië en dolf daar goud op. Die vondsten, officiële documenten, getuigenverklaringen, memoires, stelden hem in staat het beeld dat we van de jonge Stalin hadden grondig bij te stellen.
Montefiore kleurt de contouren in die andere biografen die niet zoveel geluk hadden als hij hooguit konden schetsen. Door die veelheid aan kleurrijke details zou je kunnen zeggen dat ’Stalins jeugdjaren’ leest als een ouderwetse schelmenroman, als dat niet, gezien wat later komen ging, te veel eer is voor de hoofdpersoon. Want de trekken van de latere dictator zijn al herkenbaar in het straatschoffie, de scholier, de seminarist die zich tot het marxisme bekeerde en de revolutionaire desperado. ’Soso’, zoals Josef Vissarionovich Djoegasjvilli toen voornamelijk heette – pas in 1912 werd hij Stalin –, was achterdochtig, kil, berekenend, overtuigd van zijn missie en behept met een geweldig minderwaardigheidscomplex.
Montefiore maakt korte metten met mythes die vooral dankzij Trotski de status van onomstotelijke waarheden hadden gekregen. De zoon van een alcoholische schoenmaker was geen ongeletterde boerenpummel. Hij was een begenadigd, zij het traditioneel dichter – een aantal van zijn gedichten werd opgenomen in een toonaangevende bloemlezing van Georgische poëzie – een goed zanger, zeer belezen en een theoretisch uitstekend onderlegde marxist. Hij kon charmant zijn tegen vrouwen, aardig tegen kinderen en soms opmerkelijk loyaal en royaal tegen oude strijdmakkers.
Maar hij was ook een grootmeester van de samenzwering, een goed organisator en het brein achter een serie spectaculaire roofovervallen, ’onteigeningen’, waarmee de activiteiten van Lenins bolsjewieken werden gefinancierd. De meest geruchtmakende, een overval op een geldtransport in 1907 in Tiflis, werd zelfs wereldnieuws. Een revolutionair in het tsaristische Rusland bewoog zich vaak tussen Marx en de maffia.
Het criminele milieu was een biotoop waarin de toekomstige ’Zon der Sovjetvolkeren’ bij uitstek gedijde. Zijn belangrijkste handlanger was een ook letterlijk gevoelloze psychopaat, ’Kamo’ (Lenins vrouw vond hem juist ’uitermate gevoelig en een beetje naïef’) die bij Stalin vaak ’jengelde of hij een tegenstander de keel mocht doorsnijden’. Ook in ballingschap, waarmee revolutionaire activiteiten werden bestraft, zocht hij vaak het gezelschap van misdadigers. Dat waren in tegenstelling tot veel van zijn revolutionaire lotgenoten ten minste ’geen ratten en zwetsers’.
De ballingschap moet als straf niet overdreven worden. Het waren vaak een ’soort leesvakanties’, schrijft Montefiore. Darnaast werd er veel gediscussieerd, geruzied, gedronken en, al dan niet buitenechtelijk, seks bedreven. Ook Stalin liet zich daarin niet onbetuigd. Hij mocht dan geen rokkenjager zijn, aldus Montefiore, maar op het aantal minnaressen zou Casanova jaloers zijn geweest. Hij verwekte minstens twee buitenechtelijke kinderen, maar die waren – net als de ’echte ’ kinderen uit zijn twee huwelijken en zijn twee echtgenotes – minder belangrijk dan de revolutie.
Stalin ontkwam zo vaak aan de politie en ontsnapte zo makkelijk uit zijn ballingsoorden dat zijn tegenstanders daarin het bewijs zagen dat hij een spion was van de geheime politie, de Ochrana. De politie was corrupt en ontsnappen uit ballingschap was meestal niet moeilijk, aldus Montefiore. Iedereen met een beetje pit deed het en dat bewijs is dan ook nooit gevonden. En zoals zo vaak in een van paranoia vergeven ambiance werd een echte politiespion door iedereen, ook Lenin en Stalin, vertrouwd en pas jaren later ontmaskerd Het was een ervaring waar Stalin lering voor later uittrok. Iedereen was een verrader tot hij het tegendeel kon bewijzen en die kans kreeg vrijwel niemand. Ook uit de ballingschappen trok hij zijn conclusies. Het zou in zijn strafkampen, de Goelag, nooit op een ’leesvakantie’ lijken.
Voor zijn laatste ballingschap was hij overgebracht naar een negorij net buiten de poolcirkel. Hier was ontsnappen onmogelijk. Ondanks het verschrikkelijke klimaat schijnt hij zich die vier jaar tussen de primitieve jagers en vissers in zijn element te hebben gevoeld. En ook dit was een ervaring met verstrekkende gevolgen.
„Het was alsof hij de ongebondenheid, waakzaamheid, kilte en eenzaamheid van de Siberische jager met zich meebracht naar het Kremlin”, aldus Montefiore.
Na de revolutie zouden miljoenen Russen dit aan den lijve ondervinden.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.