*

 

’En toch ben ik geen atheïst’

Door: redactie − 10/02/07, 00:00

recensie Het geloof in God was hij al vroeg kwijt, het geloof in de almacht van de wetenschap brokkelde pas af na de geboorte van zijn zoon. Dan beseft Frank Westerman dat hij toch nog licht gelovig, niet helemaal ’clean’ is. Hóe gelovig moet blijken tijdens een reis naar de berg Ararat. Hij duikt in de geologie, in de Armeense kwestie, bezoekt een klooster, peinst, overweegt en beklimt ten slotte de beroemde berg. Maar hij bekeert zich niet.

Op vakantie in Oostenrijk verdronk de elfjarige Frank Westerman bijna in een riviertje, dat na plotselinge opening van de sluizen een levensgevaarlijke afwatering van een stuwmeer bleek. Als door een wonder werd hij uit de kolkende stroom geslingerd en na die zomer, zo schrijft hij in zijn nieuwe boek ’Ararat’, was hij ‘anders gaan bidden, intenser, met mijn vingers verstrengeld tot m’n knoken er wit van zagen.’

Lang bekleef die vroomheid niet. Ongemerkt sloop het geloof weg uit zijn leven, tot het niet meer dan een relict leek uit een voorgoed voorbije tijd. De natuurwetenschap had er in zijn studietijd korte metten mee gemaakt - en daarna de ontdekking van het Gilgamesj-epos dat net als de Bijbel vertelde over een zondvloed maar veel ouder was. De Bijbel bleek niet meer dan een mensenmaaksel, weinig origineel en onhoudbaar in zijn wereldbeeld.

Maar ook die geruststellende nieuwe waarheid van geologie, evolutiebiologie en geschiedwetenschap bleef niet onaangetast. De doorsnee-ongelovige Westerman werd vader en dat, zo schrijft hij, ‘haalt onvermoede streken met je uit. Je keert terug naar je geboortegrond’. Dat betekende niet alleen een weerkeer naar het Drentse landschap van zijn jeugd, vol boortorens en ja-knikkers van de NAM, maar ook naar het geloof van zijn vaderen, in letterlijke en overdrachtelijke zin. Dat geloof, zo schrijft hij, was er ook voor hém geweest, ‘maar ik kan er niet meer bij’. En hij wilde weten ‘hoe de godsdienstigheid uit mijn leven was weggesijpeld’.

Van die zoektocht vormt Ararat de neerslag. Het is, zo schrijft Westerman zelf, een boek geworden ‘over geloven en weten, religie en wetenschap, met als middelpunt de Ararat’, de berg in Armenië waar Noach volgens de Bijbelse overlevering strandde en God zijn verbond met de mensheid sloot. Het silhouet had Westerman ooit vanuit de verte gezien. Nu gaat hij er de confrontatie mee aan: als fysieke én als religieuze uitdaging. De Ararat wordt het symbool van het geloof zelf en door hem te bedwingen probeert hij erachter te komen of hij zich van die erfenis kan losmaken.

Een eenduidig antwoord op die vraag krijgt de lezer niet. Westerman sleept hem mee terug naar zijn jeugd, naar specialisten die hem alles over de mysterieuze berg kunnen vertellen. Hij correspondeert met de wiskundeleraar van zijn oude middelbare school, even doorkneed in bijbelvastheid als in de waarheden van de mathematica. Hij voert gesprekken met een geoloog die er in zijn belijdend atheïsme even diep van overtuigd is dat de wetenschap ooit alle levensraadsels zal weten te doorgronden. En al lang voordat hij in Armenië is aangekomen, bemerkt hij hoezeer de Ararat verweven is met wat intussen de ‘Armeense kwestie’ heet, de genocide door de Turken in het begin van de 20ste eeuw en de eeuwenlange geschiedenis van strijd in een gebied dat altijd op de grens van meerdere culturen heeft gelegen.

Spannend blijft Ararat tot aan het einde toe. Westerman weet zijn persoonlijke vragen prachtig te verweven met godsdienstgeschiedenis, politieke conflicten en de verhalen van de wetenschap. Maar een éénheid wordt het boek daarmee nog niet, laat staan dat hijzelf aan het einde daarvan wat meer klaarheid lijkt te hebben gekregen in de vragen waarmee hij begon. Met instemming lijkt hij de Russische kosmonaut te citeren die jarenlang de officiële doctrine van het dialectisch materialisme moest verkonden en nu verzucht: ,,Er is iets tussen hemel en aarde waar wij mensen geen weet van hebben.’’ Maar wát dat is, blijft ook bij Westerman gevangen in een ongewisheid die bij nader inzien misschien wel het wezen van het religieuze raadsel vormt.

Het mooist kiert dat besef bij Westerman, wanneer hij vertelt hoe zijn dochtertje, na een bezoek aan het Teylers Museum, zich bij een glaasje appelsap laat ontvallen: ,,Papa, weet jij wat geluk is?’’ Hij vraagt haar: ’Nou?’, maar denkt intussen: ‘Dit moment’. Dat is geluk en het is – ondanks het gevatte antwoord van het dochtertje dat het verhaal nóg mooier maakt – tezelfdertijd ook niets. Het is de vluchtigheid die tussen iedere kennis en vermogen door glipt, iets tussen hemel en aarde dat tot geen van beide helemaal behoort en, zeker voor die laatste, niettemin het enige is dat telt.

Als godsdienst dát tot uitdrukking probeert te brengen, dan moet Westerman er niettemin heel wat voor slikken dat hem tegenstaat. De onderwerping die hij ziet bij pasgewijde priesters in een Armeens klooster roept evenveel weerzin op als de taboes waarmee het raadselachtige centrum van de godsdienst altijd wordt omgeven. Wellicht worden die alleen maar ingegeven door de vrees dat er in werkelijkheid niets is, zo mijmert hij.

Zelf zoekt hij die ongrijpbaarheid liever in de taal: niet in het Woord maar in het woord waarin hij zich als schrijver thuis weet en dat tegelijk het beste instrument is om het levensmysterie eindeloos te vergroten.

Wanneer Westerman tenslotte de Ararat beklimt, wijkt de religie almaar verder weg. Een antwoord op de vragen waarmee hij begon, komt er niet – en de bekering waar zijn naaste omgeving zozeer voor was gaan vrezen al helemaal niet. Het boek eindigt enigszins onthutsend, zestig meter onder de top van de berg die dus nét niet helemaal beklommen wordt. Daar houdt het op: een storm van stuifsneeuw op een glooiend ijsveld, vlak buiten bereik – een niets dat er alleen maar is dankzij de woorden die ervan vertellen.Ger Groot

mailIcon print |