*

 

Heimwee naar de God van vroeger

Jos Palm − 13/10/07, 00:00

recensie Eeuwenlang kwam uit het geloof automatisch de plicht tot deugdzaamheid voort. Dat was zijn grote kwaliteit. Maar helaas is de band tussen godsdienst en moraal doorgesneden. Onvergeeflijk, betoogt de atheïst Herman Vuisje. Als hij weer eens zijn autoruit ingeslagen ziet, mist hij God de Vader van vroeger. Maar Hem reanimeren, kan niet meer.

Je had ’De God van je tante’, die ook ’de God van je baas en van je schoonvader en van je baas z’n boekhouder’ was. Deze door Nescio beschreven protestantse potentaat had een katholieke equivalent, die wat minder gestreng was, maar verder niet zo veel onderdeed voor zijn calvinistische collega. Met die God maakte je als zevenjarig rooms jongetje kennis wanneer je ter voorbereiding van de eerste heilige communie de Eerste Katechismus kreeg. In ’Les 2’ (’God is overal, God ziet en weet alles’) werd duidelijk dat God een soort Sinterklaas oude stijl was die net als de goedheiligman een soort kasboek van je daden bijhield. „Ik kan niets voor God verbergen. Onze Lieve Heer weet alles van mij. Hij weet of ik braaf ben of niet”, stond er.

Duizenden en duizenden kinderen groeiden net als ik op met dergelijke lessen in deugdzaamheid. Die periode van een bijna militante scholing in braafheid, die overigens ook een sociaal-democratische, AJC-achtige variant kende waarbij de meiboom het kruis verving, is voorbij. ’Gelukkig’ voorbij, meenden wij, weldenkende Nederlanders lange tijd.

Honderdduizenden gestolen fietsen, kapotgeslagen autospiegels, en grote bekken op straat verder, zijn we daar niet zo zeker meer van. En de gedachten gaan -– gevoed door allerhande nota’s over klein en groot vandalisme -– haast vanzelf uit naar de dagelijkse oefeningen in christelijke correctheid uit de jaren vijftig en begin jaren zestig, toen de moraal nog geen object van studie en aanhoudende zorg was, en er alleen kattenkwaad bestond.

De God uit die tijd ligt inmiddels op zolder, maar diens gebod zit een hele generatie door Calvijn en de paus afgetrainde Nederlanders nog als een gegoten deken. De vraag is hoe dat komt, en wat dat zegt over de disciplinerende waarde van de catechismusles, die ogenschijnlijk even oppervlakkig was als de schoolopvoeding tot socialistisch burgerschap in de voormalige DDR.

Het is deze vraag naar de morele betekenis van het christendom die socioloog en publicist Herman Vuijsje moet hebben aangezet tot het schrijven van ’Tot hier heeft de Heer ons geholpen’, een evaluerend essay over het nut van God. Tegelijkertijd met diens boek verscheen een encyclopedisch werk over God, zijn kerken en zijn gelovigen, geschreven door de godsdiensthistoricus Eginhard Meijering. Zijn ’Nederlands christendom in de twintigste eeuw’ is in de eerste plaats een institutioneel-theologisch verhaal, geen boek dus waar je als moderne ’Godvergeter’ eens even lekker voor gaat zitten. Toch is het op zijn plaats om het hier te behandelen. Al is het alleen maar om dat er uit blijkt dat de vraag van de atheïstische geloofsvriend Vuijsje -– wat moeten we nog met God in een seculariserende samenleving? -– al vaker is gesteld en door theologen op verschillende wijze is beantwoord.

Wat leert nu Meijerings stevige rondgang door het vaderlandse christendom over God en gelovige? Allereerst dit: ’De God van Nederland’, de stugge Big Brotherfiguur, aan wie Nescio zo’n hekel had, kreeg vanaf de negentiende eeuw concurrentie van een meer menselijke, laten we zeggen, een meer Harry Kuitertachtige Nietsheid, waar je zelf iets van moest zien te maken. Alleen: deze Ietsheid –- want daar zou het tenslotte op uitdraaien –- leed een min of meer kwijnend, ondergronds bestaan. Een handjevol uitzonderingen daargelaten was men er in Nederland nog niet klaar voor. God beleerde en corrigeerde en dacht en besliste voor ons. Later werd hij een soort zachtaardige ouwe baas.

In plaats van luisteren en gehoorzamen, kwam het ’in gesprek zijn’ met God. Dat gebeurde in de jaren zestig, toen bijvoorbeeld het boekje ’Honest to God’ van de Anglicaanse bisschop Robinson in vertaling in Nederland een bestseller werd. Alleen al uit de titel bleek dat het verkeer niet meer van boven naar onder ging, maar omgekeerd. De mens moest eerlijk zijn tegenover God, zichzelf en zijn naaste. Van chef veranderde de Heer in een soort ’Mona’, een vertrouwenspersoon die je alles kon vragen, maar het antwoord was geen bevel meer, het was een verstandig advies.

En daar stonden we dan. Zonder catechismus en zonder ’School met den Bijbel’. Het primaat van de dogmatiek was vervangen door het primaat van de ethiek, schrijft Meijering ergens in het laatste deel van zijn boek. Na die constatering worden eindeloze hoeveelheden theologen opgevoerd, want de meedenk-God die een betere wereld en mens wilde, had minstens evenveel recht op uitleg als de oude commando-God. En terwijl je de samengevatte traktaten leest, haak je af, niet omdat het zogenoemde ’situationeel’ theologiseren – het spreken en preken vanuit de werkelijkheid van de mens -– niet zou deugen, maar omdat je achteraf begrijpt dat er destijds opnieuw voor je gedacht werd.

De hele theologische machinerie kwam, alle goede bedoelingen ten spijt, nog een keer over de gelovige heen, in een moderne, aangepaste tale Kanaüns of in de overbewuste, solidaire taal van de Nieuwe Catechismus. God die al eens in beslag was genomen door zijn dominees en priesters verdween ditmaal achter zijn theologen.

Er blijkt een atheïst voor nodig om Hem er weer achter vandaan te halen. Want dat is precies wat Vuijsje doet. Gaf eerder de familie Blokker met de eigentijdse bijbelnavertelling ’Er was eens’ de Schrift terug aan de moderne lezer, Vuijsje geeft God op eigentijds wijze weer een gezicht. Hij doet dat op een overtuigende manier, met een soort empathie voor God en zijn bedrijf die de ’beschadigde’ en teleurgestelde gelovige nou eenmaal niet kan opbrengen. Vanzelfsprekend, ben je geneigd te zeggen, is zijn taal die van de noodzakelijke ironie. „Mensen stil nou even”, laat hij God boven het ’boegeroep’ uit zeggen bij het laatste oordeel. „Maar de zaal blijft morren en eist een verklaring”, vervolgt hij. Zo maakt Vuijsje en passant duidelijk aan wiens kant hij staat, aan die van de verwarde en tegelijkertijd assertieve tijdgenoot, die net als de auteur bij het aanschouwen van zijn zoveelste ingeslagen autoruit de strenge God van vroeger een beetje mist, maar die in de hemel zijn woordje klaar zal hebben.

Vuijsje vertelt in vogelvlucht hetzelfde verhaal als Meijering – eerst was er God het gezag, toen God het gesprek, en vervolgens God het iets. Van die laatste moet Vuijsje helemaal niets hebben. De Ietsheid, is zijn conclusie, blijkt een God van niks, voor gelovigen van niks, die zich verplichten tot niks. Dat ietsisten maar wat individualistisch aan hobbyen met de van oorsprong socialiserende religie kan Vuijsje nog net verdragen, maar dat de band tussen godsdienst en moraal is doorgesneden, vindt hij onvergeeflijk, om niet te zeggen een doodzonde tegen de geschiedenis. Want eeuwenlang kwam uit het geloof automatisch (en natuurlijk met behulp van wat religieus grondpersoneel) de plicht tot deugdzaamheid voort. Dat was zijn grote, onmiskenbare kwaliteit.

Maar hoe verder? „De God van Nederland willen reanimeren, is sjorren aan een lijk”, schrijft Vuijsje. Welbeschouwd rest alleen nog de historische God en ook Vuijsje weet dat de invloed van deze voorbij figuur beperkt is. Daarom zet hij God de Vader zo’n 270 pagina’s op een voetstuk, zodat er misschien weer wat ontzag komt voor Hem en voor zijn verhaal van goed en kwaad, niet omwille van God, maar omwille van de wereld.

De ideale burger kijkt met eerbied naar het verleden, schreef de Amerikaanse menswetenschapper Jeffrey Stout in een boek over democratie en traditie. Zo moeten we ook naar die goeie-kwaaie ouwe God kijken, lijkt Vuijsje te zeggen, want ook al is de strenge vader er niet meer, als hij voortleeft in onze herinnering blijven we iets makkelijker op het rechte pad.

„Ik wil uit liefde tot U, vandaag heel erg mijn best doen om braver te worden”, bad ik met een hele generatie roomse kindertjes uit het Klein Missaal (gebedsboek) en terloops werden we oppassende burgers. Dankzij God en zijn catechismus hadden we net dat beetje ontzag dat nodig is om geen domme dingen te doen. Vuijsje’s boek laat zich lezen als een pleidooi voor die eerbied van vroeger, als een verlangen naar iets schijnbaars onmogelijks, namelijk naar een gemeenschap van gelovigen zonder God.

Maar wie weet, in gidsland Nederland is veel, zo niet alles mogelijk. Misschien kan in ons ethisch laboratorium een klein wonder geschieden: een moreel geloof transformeren tot wat Vuijsje samenvat als ’een geloof in moraal’.

mailIcon print |