*

 

Ongenaakbaar als een landhuis

Monica Soeting − 14/07/07, 00:00

recensie Van Jane Eyre’s Thornfield Hall tot Brideshead: het wemelt in de Engelse literatuur van de imposante landhuizen met dito inwoners. Twee Engelse schrijfsters, Rachel Cusk en Esther Freud, haken in op de traditie.

Huizen spelen een grote rol in de Britse literatuur. Geen gewone huizen, maar landhuizen, groot, imponerend en onneembaar. En vaak zijn hun bezitters al even indrukwekkend als die huizen zelf. Daphne du Mauriers ’Manderley’ is voor de naamloze vertelster van ’Rebecca’ net zo ongrijpbaar als de heer des huizes Maxim de Winter. Datzelfde geldt voor Charlotte Brontë’s Thornfield Hall en Mr Rochester, maar die hebben dan ook model gestaan voor Mr de Winter en zijn huis. Zowel Jane Eyre als de jonge Mrs de Winter leren hun mannen pas echt kennen nadat de huizen zijn afgebrand. Evelyn Waugh bevolkte zijn Brideshead niet met één, maar met een hele groep indrukwekkende individuen, en Charles Dickens laat zijn Pip in ‘Great Expectations’ vernederen door Miss Havisham, die voor zichzelf én haar kasteel de tijd heeft stil gezet.

Niet alleen schrijvers uit de negentiende en twintigste eeuw waren gefascineerd door grote huizen en hun ondoorgrondelijke bezitters. In ’In de beste familie’ van Rachel Cusk brengt Michael, de hoofdpersoon, een tijd door op het landhuis dat behoort aan de vader van zijn studievriend Adam. Op weg naar ’Egypt’, zoals het huis heet, herinnert hij zich hoe hij als student in grote verwarring raakte door het donkere huis en de ongewone familieverhoudingen.

Adams vader leefde samen met zijn tweede vrouw, maar zijn eerste vrouw bleek zich ook nog steeds op Egypt thuis te voelen. En welke kinderen bij welke ouders hoorden, was Michael een raadsel.

Bij zijn tweede bezoek blijken Adams vader en diens tweede vrouw van elkaar te zijn vervreemd. De vader heeft zich tot een tiran ontpopt, en de meeste kinderen laten zich niet meer op Egypt zien. Het tweede huwelijk is een farce –slechts gesloten vanwege het geld van de tweede vrouw, waarmee Egypt in stand gehouden wordt.

In ’Liefdesval’, de nieuwste roman van Esther Freud, komen zelfs twee huizen en twee ontzagwekkende eigenaren voor. De ene is van adel en al even tiranniek en eigenzinnig als de vader van Adam. Hij heeft een heel Italiaans dorp tot landhuis omgebouwd, en brengt daar met zijn vriendin en een hele stoet hippe, verwende kinderen de vakanties door. De andere huisbezitter hoort tot de intellectuele elite en woont in een grote villa in dezelfde omgeving, mét zwembad en kokkin. In beide huizen brengt de zeventienjarige Lara een bevreemdende zomer door. De oudere mensen boezemen haar angst in, en de jonge maken haar onzeker.

Michael reageert minder emotioneel dan Lara op zijn omgeving. Cusk wordt vaak verweten dat ze afstandelijk schrijft, en dat zou je haar ook nu voor de voeten kunnen werpen. In Michaels eigen huis gaat het ook niet heel gezellig toe. Zijn vrouw maakt voortdurend ruzie en zijn zoontje lijkt achter te blijven in zijn ontwikkeling. Maar er komt geen klacht over Michaels lippen. Hij kijkt toe, neemt waar, maar oordeelt niet. Hij is zo wweinig betrokken, dat je als lezer bijna wanhopig op zoek gaat naar een verklaring voor zijn kille gemoedstoestand.

En daar komt het huis als geroepen. Dat grote, koude, vervallen en ongenaakbare Egypt, dat net als Thornfield Hall, Manderley, Brideshead en de ruïne van Miss Havisham de hoofdpersoon letterlijk buitensluit. Michael voelt zich tegelijkertijd aangetrokken en afgewezen door een klasse waartoe hij nooit zal horen; buitengesloten door een gebrek aan geld en een gebrek aan het zelfvertrouwen dat de leden van hogere klassen met de paplepel krijgen ingegoten. Als je het landhuis beschouwt als metafoor voor de klassengrenzen die er nog steeds door de Britse maatschappij lopen, begrijp je dat Michael uit zelfbehoud afstandelijk blijft. Alleen door zich door niets en niemand te laten beïnvloeden, behoudt hij zijn zelfrespect.

Ook de huizen in ’Liefdesval’ maken van de hoofdpersoon een buitenstaander. Lara’s vader en moeder zijn kort na haar geboorte uit elkaar gegaan. Lara’s moeder heeft altijd geweigerd geld aan te nemen van haar vroegere man, en heeft zichzelf en haar dochter met baantjes als schoonmaakster in leven gehouden. Op verzoek van haar vader – een beroemde historicus, die zich weinig interesseert voor het leven van zijn dochter - gaat Lara met hem in Italië bij een van zijn rijke vriendinnen logeren.

Ze belandt in een wereld die haar volkomen vreemd is en daardoor aantrekkelijk, maar ook beangstigend en bedreigend aanvoelt. Ze wordt verliefd op de zoon van de adellijke huizenbezitter en gaat voor het eerst met een jongen naar bed. Een dag later wordt ze door de zwager van haar nieuwe vriendje verkracht.

Ook Lara reageert met afstandelijkheid op al die aanslagen die haar zelfvertrouwen ondermijnen, en net als Michael heeft ze dat nodig om te overleven. Maar anders dan bij Michael is haar afstandelijkheid ingebed in de onzekerheid van een naïef, onervaren meisje, dat zich zichtbaar en invoelbaar dwingt zichzelf te blijven.

Dat is dan ook meteen het grote verschil tussen Cusk en Freud. Freuds heldinnen – kwetsbare jonge meisjes vaak, die opgroeien bij arme, alleenstaande hippiemoeders – vertederen omdat ze zo duidelijk hun opperste best doen om in traumatische omstandigheden op de been te blijven. Je ervaart als lezer de liefde die Freud zelf voelt voor haar hoofdpersonen.

De hoofdpersonen uit de romans van Cusk, en ook de auteur zelf, die in ’In het land van moeders’ over haar ervaringen als jonge moeder vertelt, doen geen enkele moeite om de lezer voor zich in te nemen. Waar Lara in al haar dappere pogingen stand te houden aan de onschuldige Pip bij Dickens doet denken, heeft Michael meer weg van de ongenaakbare Jane Eyre. Freud bespeelt de emoties van haar lezers, maar Cusk dwingt je met haar karige, emotieloze stijl een eigen oordeel te vormen over de wijze waarop haar personages omgaan met machtsverhoudingen en dreigend identiteitsverlies.

De vraag is wat beklijft: emoties of rationele oordelen. Gelukkig geeft Cusk zelf een vingerwijzing. Op het hoogtepunt van Michaels onbetrokkenheid valt het balkon van zijn eigen huis naar beneden. Michael ontstapt daarbij op een haar na aan de dood. Of hij deze dramatische ervaring als een waarschuwing opvat, blijft onduidelijk, maar de boodschap komt over: onbetrokkenheid is net zo schadelijk als machtsmisbruik. Aan het eind van het verhaal trekt Michaels vrouw bij haar ouders in, en blijft hij achter in hun mooie, pas verbouwde oude huis.

mailIcon print |