recensie Gaat de debuutbundel van Lucas Hirsch over familiebanden? Het lijkt er even op, maar door allerlei flauwe, modieuze geintjes raakt dat thema snel uit zicht. Jammer, want Hirsch kán wel wat.
De debuutbundel van Lucas Hirsch (1975) heeft een opmerkelijke titel: familie gebiedt. Natuurlijk speelt hier direct de associatie ‘familiegebied’ mee. De familie gebiedt: zij schrijft ons een eendrachtig domein voor en bepaalt hoe dat zich tot de wereld verhoudt. Een heuse hoeksteen dus, en volgens de titels van sommige gedichten (‘wat er zich op walcheren voordeed’; ‘in zeeuws-vlaanderen’) van mogelijk streng Zeeuwse snit.
Net als in de titels zijn ook in de gedichten zelf hoofdletters geheel afwezig. Hetzelfde geldt voor de leestekens. Voorts: geen noemenswaardig eindrijm, regels van zeer ongelijke lengte en afwisselend korte en lange gedichten. Tegenover de strenge titel van de bundel staat derhalve de vrijheid van het ongebonden vers. Er zijn dichters genoeg die bij die ongebondenheid welvaren.
Geldt dat ook voor Hirsch? Hij begint in elk geval sterk met het driedelige titelgedicht ‘familie gebiedt’: ‘zwaai maar even nu het nog kan / je nadert een gevarenzone // het werkwoord familie gebiedt / er klare taal te spreken // een goed gebruik in deze negorij’. ‘Gevarenzone’ en ‘negorij’ klinken negatief, en ‘familie’ als werkwoord - een lexicaal unicum - suggereert dat aan de familieband steeds gewerkt moet blijven worden. Even verderop heet diezelfde band echter ‘gewoonlijk net iets te nauw’. In de rest van het drieluik vernemen we dat de vader ziek is.
Verder toont Hirsch zich in de volgende (en vele andere) passages gevoelig voor de onaffe, kromme zinnen en zinsdelen die bij veel hedendaagse jongeren inmiddels tot maniertje lijkt verheven: ‘vader zou dit is geen pijp- / rokend naar haar pruimende wangen loensen // de loom karnende vrouw weet van niets dan / de kans op keelkanker en of een schele’. Wie het verband ziet mag het zeggen.
Hirsch heeft Zeeuwse wortels maar woont thans in Haarlem. Duidelijk is dat het oude familieverband in terugblik in postmodern perspectief wordt ge(her)waardeerd.
Het gaat in die eerste afdeling opeens snel. In ‘morfine’ ‘is opa vast met sterven begonnen’, een gedicht later heet vader ‘lastdier zielloze man zonder wil’ en blijkt ‘moeders’ stevig de broek aan te hebben. Even verder vrijt een ‘onsympathieke vrouw’ die ‘in kleiig idioom’ haar afkeer betoont van wat ‘schraal is / futloos geil’.
Het kleiige van haar woorden zie ik niet in, evenmin als van ‘moeders’, ‘bedstee’ of ‘de deel’, maar de stadse Hirsch vindt het kennelijk al heel wat, net als ‘trekpaard’, ‘reuzel’ en ‘modderbuik’. En dat terwijl die woorden toch zo bijzonder niet zijn (nooit Ter Balkt gelezen zeker).
Hirsch slaagt erin om zijn centrale thema al heel snel uit het oog te verliezen en uit te waaieren over veel gein en ongein die nogal wat jongerenpoëzie van nu zo op een vorm van verkeerd cabaret doet lijken. Ouders komen her en der in zijn bundel nog wel voor, soms in behoorlijke gedichten, maar voor de rest Slappe regels over het meerduidige ‘leger’, inderdaad niet alleen een militaire organisatie maar ook de schuilplaats van de haas, melige geintjes met sms-taal, zichzelf klein maken als ‘slappe potsenmaker’ maar intussen een reuzenhoge borst opzetten als postmoderne adhd-komiek van de razendsnelle én intellectuele witz.
En verder nog die uiterst flauwe ‘begin-dichter-op-de-huid-dichter-bij-/het-begin’-regeltjes waarin we opeens iets hoogstaands poëticaals moeten zien (‘dichter’!) en dat met ‘trilvel’ en ‘bokkende hengst’ uitmondt in de brakkigste vorm van poëtische percussie die een mens bedenken kan. Leuk voor de bühne, een aanfluiting voor het papier.
En dat terwijl deze modieuze ex-slammer in één gedicht de woorden ‘vernuft’, ‘behendigheid’, ‘effect’ en ‘komisch’ lanceert, aan zelfkennis ontbreekt het deze bewuste komediant dus niet. Los van zijn zorgvuldig gecaste onhebbelijkheden slaagt hij er soms toch in enkele bloedmooie gedichten te schrijven over bijvoorbeeld zijn doodzieke vader, zoals in het kadergedicht ‘kale man’.
Dat gedicht is alleen al vanwege de eerste regel (waarin de kaalheid vaders haar juist extra ‘zwaarwichtig’ voelbaar maakt) en de twee slotstrofen goud waard. Een man die zijn ‘te veel aan vader’, en zijn te veel aan geleden verlies in de oorlog in handen van zijn vrouw mag leggen. Had Hirsch op zulke snaren maar vaker getokkeld!
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.