recensie De rijzende ster in de Amerikaanse politiek, Barack Obama, wijst de polarisatie resoluut af en zoekt een brede coalitie met weldenkende Republikeinen. Er zijn niet vier verschillende Amerika's (blank, zwart, latino, Aziatisch), er is slechts één Verenigde Staten. Waarvan de zwarte Senator graag president wil zijn.
Tijdens de Democratische conventie in juli 2004 in Boston – het partijcongres waarop John Kerry formeel tot presidentskandidaat werd gekozen – betrad ene Barack Obama het spreekgestoelte. De 42-jarige vrijwel onbekende politicus uit de staat Illinois, waar hij lid van de regionale senaat was, hield gedurende zeventien minuten een zinderende speech waar de vonken vanaf sprongen en waarvan de duizenden congresgangers finaal uit hun dak gingen. Politieke commentatoren noemden de toespraak de beste sinds de rede van Hubert Humphrey uit 1948 (!) toen deze linkse senator – ook op de Democratische conventie - het thema van de burgerrechten aankaartte.
De lange, slanke Obama vertelde over zijn afkomst – z’n vader kwam uit Kenia, z’n moeder uit de VS –, over de kansen die hij als zwarte had gegrepen (‘dat kan alleen in dit land’), maar ook over de diepe armoede die nog steeds in Amerika bestaat: ,,Als ik een jochie in de sloppenwijken van Chicago zie dat niet kan lezen, dan doet dat mij pijn, ook al is het niet mijn kind.’’ Hij had het over de oorlog in Irak (waar Obama tegen is) en prees de dappere Amerikaanse soldaten die met te weinig man naar dat land zijn gestuurd en daar een niet te winnen strijd uitvechten.
Obama bracht de conventiehal tot vervoering met zijn hartstochtelijk pleidooi voor eenheid. Hij nam resoluut afstand van mensen die het land verdelen en bevolkingsroepen tegen elkaar opzetten, volgens hem vooral te vinden onder de neoconservatieven in de Republikeinse partij van president Bush. ,,Er is geen zwart Amerika, of een blank Amerika, of een latino-Amerika, of een Aziatisch Amerika, er is alleen een Verenigde Staten van Amerika.’’ Op elke lettergreep van die laatste vier woorden legde hij de nadruk.
De rede maakte Obama op slag beroemd. Een kleine vier maanden later werd hij met een indrukwekkende meerderheid gekozen tot landelijk Senator in Washington, op dezelfde dag dat John Kerry van George Bush verloor. En twee weken geleden, net iets eerder dan zijn grote rivale Hillary Clinton, zette hij de eerste stappen op weg naar zijn kandidatuur voor de presidentsverkiezingen van eind volgend jaar.
‘The Audacity of Hope’ heette de toespraak uit Boston, de stoutmoedigheid van de hoop. Het is ook de titel van een boek dat Barack Obama heeft geschreven en dat nu al weken bovenaan de bestsellerlijsten in Amerika staat. De Senator vertelt op vlotte wijze over zijn politieke carrière, inclusief zijn nederlagen – zo verloor hij zes jaar geleden kansloos toen hij een gooi naar een zetel in het Huis van Afgevaardigden deed. Hij geeft de lezer een inkijkje in zijn privéleven en spreekt met grote liefde over zijn vrouw Michelle en dochters Malia (7) en Sasha (5) – zulke intimiteiten gaan er bij de Amerikanen altijd goed in.
Maar Obama werkt vooral de thema’s uit zijn speech uit: de American Dream, die er voor iedereen is, rijk of arm, het geloof (Barack is een devoot christen), zes jaar Bush en hoe de ramp daarvan te herstellen, de armoede, het racisme in zijn land, en het internationaal terrorisme en hoe dat te bestrijden. Vóór alles zet het boek zich af tegen de polarisatie in de Amerikaanse politiek die weliswaar veroorzaakt is door de neocons maar die de Democraten niet erger moeten maken dan ze al is.
Dit deel is veruit het interessantste. Barack waarschuwt zijn partij indringend niet voortdurend in de kramp te schieten en voorspelbaar afwijzend te reageren op welk voorstel dan ook van de kant van de Republikeinen. Want die opstelling is heilloos en brengt de achterban van de Democraten helemaal nergens. Niet alles uit de Republikeinse koker is per definitie slecht.
De Democraten zijn de partij van de reactie geworden, schrijft Obama (op een moment overigens dat ze nog niet de meerderheid in het Congres hadden verkregen). We moeten juist weer het initiatief naar ons toe zien te trekken en samenwerking zoeken met de linkervleugel van de Republikeinen. Daar zitten legio redelijke mensen die net als de Democraten belastingverlaging voor de rijken afwijzen en zich verzetten tegen het verminderen van de staatsschuld over de ruggen van de armen; mensen die een strikte scheiding voorstaan tussen kerk en staat en die niets moeten hebben van de invloed die orthodoxe, rechtse christenen met hun strikte standpunten over abortus, homohuwelijk en doodstraf op de regering-Bush uitoefenen.
Barack bepleit al met al een brede coalitie van Republikeinen, Democraten en onafhankelijken die de grote problemen (milieu, Irak, armoede) gaat aanpakken. En passant laat de senator weten altijd een zwak te hebben gehad voor Ronald Reagan. Diens beleid verafschuwde hij, maar de inmiddels overleden president wist wél het enthousiasme terug te brengen bij de Amerikanen, óók bij kiezers die traditioneel op de Democraten stemden maar die in de jaren tachtig besloten voor Reagan te kiezen. De Republikein gaf het electoraat hoop op een betere toekomst, de Democraten moeten die boodschap ook zien over te brengen, aldus Obama.
Zijn boek dient een specifiek doel: het moet de sceptici overtuigen dat Barack Obama een uitstekend politicus is, die theoretisch goed onderlegd is, een bruggenbouwer met prima ideeën. Die eigenschappen moeten het gebrek aan politieke ervaring compenseren – hij zit pas twee jaar in de Senaat, vier jaar korter dan concurrente Hillary die ook nog eens kan wijzen op acht jaar Witte Huis toen ze meer dan alleen de vrouw van de president was..
De man krijgt de komende tijd veel te verduren. Rechtse Republikeinen noemen hem consequent bij zijn volledige naam: Barack Hoessein Obama - zijn vader heette ook zo. (Zijn naam lijkt verdacht veel op die van Osama bin Laden, CNN heeft al een keer per ongeluk de twee verwisseld en daarvoor uitgebreid excuses aangeboden.) De kritiek gaat zo ver dat het feit dat hij een sigarettenroker is hem kwalijk wordt genomen. De grootste drempel, weet hij zelf, is zijn huidskleur: is Amerika rijp voor een gekleurde president?
Tegenover alle scepsis, kritiek en verdachtmakingen zet Obama in zijn boek een aanstekelijk optimisme neer. Hier en daar komt zijn verhaal net iets te naïef over: waren de problemen in de binnenlandse en buitenlandse politiek maar zo makkelijk op te lossen. Regelmatig is hij wijdlopig en dreigt hij de draad van zijn betoog kwijt te raken. En een niet-Amerikaan kan gauw genoeg krijgen van het patriottisme dat de auteur aan de dag legt. ,,Mijn hart is vervuld van liefde voor dit land’’, is de laatste zin van de epiloog. Maar voor degenen die de komende twee jaar de hoogstwaarschijnlijk spannende en interessante verkiezingsstrijd gaan volgen, is het boek verplicht én aangenaam leesvoer.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.