*

 

Koekeloeren naar insecten

Jaap de Berg − 19/05/07, 00:00

recensie

Hij lag jarenlang in de natuur op z’n knieën om diergedrag te bestuderen. Hij schreef er 378 boeken en artikelen over. Zo legde hij mede de grondslag voor wat nu sociobiologie heet. In 1973 kreeg hij er een Nobelprijs voor, vier jaar nadat die onderscheiding, maar dan voor economie, was toegekend aan zijn broer Jan.

Wie over Niko Tinbergen (1907-1988) meer wil weten, wordt door zijn oud-leerling en –collega Hans Kruuk royaal bediend. Een bijzondere fascinatie voor, pakweg, graafwespen, stekelbaarzen en heidevlinders is een voorwaarde voor maximaal leesgenot. Maar rijk beloont Kruuk ook de belangstelling voor de talentvolle veldwerker en observator zelf.

Niet lang na de oorlog – waarin hij twee jaar gegijzeld was – verliet Nico Tinbergen zijn leerstoel in de kleinburgerlijke ‘cultuursteppe’ Nederland om in Oxford op een lagere tree te beginnen. Professor werd hij er pas in 1966, toen het wetenschappelijke vuur bij hem al begon te doven.

Geliefd in de academische society daar was Tinbergen, met zijn tekort aan eruditie en afkeer van kouwe drukte, niet. Onder zijn studenten wel. Kruuk schildert hem af als een charmante, populaire docent en coach, Spartaans eenvoudig (een koelkast veroorloofde het gezin zich pas na de Nobelprijs) en de bescheidenheid zelve. Depressies vergalden, vooral later, veel van zijn leven – het gevolg misschien van twijfel over zijn levensbestemming. Verspilde hij met dat gekoekeloer naar vogeltjes en insecten zijn talenten niet?

En passant portretteert Kruuk ook heel wat vrienden en vakgenoten, inclusief mede-Nobelprijswinnaar Konrad Lorenz. Met deze ex-nazi, aan wie hij in wetenschappelijke zin veel te danken had, heeft de ex-gijzelaar Tinbergen nooit willen breken.

Een heiligenleven is de biografie allerminst. Kruuk bewijst dat bewondering voor een eminent bioloog hand in hand kan gaan met een scherp oog voor diens – wetenschappelijke én menselijke – fouten en zwakheden.

mailIcon print |