*

 

Wie aan schizofrenie lijdt, is amper mens

Nicole Lucas − 19/05/07, 00:00

recensie Patiënten die lijden aan schizofrenie, zitten in een gesloten cirkel waar ze nauwelijks uit kunnen komen. De Noorse Arnhild lukte het dankzij haar familie en een hulpverleenster toch. Ze schreef er een aangrijpend boek over.

’Het was een van die tamelijk zinloze discussies waar je af en toe in verzeild raakt. We waren met zijn tweeën, zij was verpleegster en ik was patiënt, het was zaterdagmorgen en we hadden een discussie over de vraag of de sinaasappel een citrusvrucht is.’

Ze komen er niet uit. Een encyclopedie kan uitsluitsel geven. Dat denkt althans Arnhild Lauveng, de als schizofreen gediagnosticeerde patiënt. Maar de verpleegkundige vat haar loopje naar de boekenkast niet op als een wens achter de feiten te komen. Zij ziet in die beweging een teken van agressie, drukt op het alarm en er komt onmiddellijk versterking aanrennen. De patiënt belandt in de isoleercel.

Het was, schrijft Lauveng in ’Morgen ben ik een leeuw’, enorm beangstigend te beseffen dat alles wat ze zei en deed „gewantrouwd werd en uitgelegd kon worden tegen de achtergrond van mijn diagnose. En dat gebeurde steeds maar weer, in voortdurend nieuwe situaties.”

Van het individu dat het etiket schizofreen heeft gekregen, blijft weinig meer over, zo laat dit schrijnende boek overtuigend zien. Hij of zij verwordt tot een serie ziektebeelden, waarmee alle gedragingen, uitingen worden verklaard. In de woorden van de Noorse: „Arnhild hoort stemmen, dus is Arnhild schizofreen. Waarom hoort Arnhild stemmen? Omdat ze schizofreen is. Dan is de ring gesloten en de cirkel compleet. Er komt niets meer in en je krijgt er niets meer uit, en het is onmogelijk een dieper begrip van wat dan ook te krijgen.”

In haar boek beschrijft ze hoe ze, een jaar of vijftien oud, ineens overal wolven ziet opduiken: lelijke beesten die naar haar benen happen en vreselijk uit hun bek stinken. Ze begint stemmen te horen. Aanvankelijk zorgen die vooral voor geroezemoes op de achtergrond, maar geleidelijk aan klinkt één stem steeds luider: die van de Kapitein, een driftig man die zelden tevreden is en haar na verloop van tijd ook begint te slaan.

De chaos in haar hoofd wordt uiteindelijk door een psychiater betiteld als schizofrenie, waarna de Noorse begint aan een jarenlange zwerftocht van de ene inrichting naar de andere. Met regelmaat krijgt ze te horen dat haar aandoening ongeneeslijk is: in het beste geval kan ze er – maar dan alleen met zware medicijnen – enigszins mee leren leven.

Lauveng doet veel meer dan dat. Ze is inmiddels afgestuurd als psycholoog, werkzaam op dat gebied en geheel medicijnvrij. Is ze de spreekwoordelijke uitzondering? Zelf zegt ze van niet, hoewel ze niet ontkent dat een ’happy-end’ niet voor iedereen weggelegd is.

De Noorse ontkent niet dat ze ziek was, erg ziek. Maar ze verzet zich er sterk tegen dat daarmee lange tijd alles over haar gezegd was. „Toen ik ziek was, had ik het gevoel dat de aandacht te veel op mijn ziekte en ook op mijn zwakke kanten gericht was. Voor mijn gevoel was er minder interesse en aandacht voor mijn sterke kanten, voor wie ik was, buiten mijn ziekte om.”

Daarmee bevestigt ze wat antropologe Lisette Oliemeulen onlangs in haar proefschrift ’Ongehoord’ als een belangrijke tekortkoming van de zorg voor mensen met schizofrenie aanmerkte: behandelaars zien vrijwel alleen de ziekte, amper de patiënt. Erger nog: „Bij chronisch psychotische patiënten bestaat nog steeds de idee dat zo iemand gewoon afgeschreven moet worden”, aldus de Nederlandse.

Lauveng weet aan een peilloos grijze wereld te ontkomen dankzij haar vasthoudende familie en een hulpverleenster die „op het einde van de wereld durfde te mikken”: die het niet heeft over wat niet kan, maar wat wel zou kunnen. En de lat daarbij zeker niet laag legt.

mailIcon print |