*

 

Kunstminnaars zijn geen haar beter

Jann Ruyters − 13/01/07, 00:00

recensie

De geest van een volks verleden waart door de romans van Mensje van Keulen. Al sinds haar romandebuut in de jaren zeventig, ’Bleeker’s Zomer’, verhaalt ze over kleine levens in kleine huizen en mensen die aan die kleinburgerlijkheid proberen te ontsnappen.

In haar autobiografische werk - ‘Olifanten op een web’, ‘Alle dagen laat’ – vertelde ze ook over haar eigen jeugd in Den Haag. Vader ging er vandoor, moeder kwam als werkster aan de kost. Uit die herinneringen doemt een meisje op dat via lezen en schilderen aan dat eenvoudige milieu wilde ontsnappen.

Niet dat ze op haar familie uitgekeken was, juist de louche tak aan haar moeders kant, de mensen met een hang naar het criminele, wist van Keulen zeer te bekoren, zo vertelde ze in interviews.

De voorkeur voor morsige levens in volkse buurten leverde Mensje van Keulens werk ook het stempel op van ‘spruitjesliteratuur’ en ‘huiskamerrealisme’. Een stempel dat ze direct verfoeide, zo valt te lezen in ‘Alle dagen laat’, haar dagboek van het jaar 1976.

Het zijn ook termen die je maar moeilijk in verband brengt met haar recente werk. Wat beschreven wordt kan treurig en morsig zijn, de wijze waarop dat gebeurt is eerder laconiek. Mensje van Keulens onderzoekende blik, haar oog voor detail zorgt ervoor dat de misère boven zichzelf uit wordt getild. Het is niet zozeer burgerlijke benepenheid die uit van Keulens romans oprijst als wel onbevangenheid en een lichte melancholie.

Tegen deze achtergrond zou je de pensionroman ‘De laatste gasten’ ook als een afrekening kunnen zien. En dan niet zozeer een afrekening met het volkse verleden, en toch ook niet met het gegoede literaire milieu in Amsterdam wat erop volgde, maar wel met het idee van een klassenverschil op zich. Hoezo meer verfijning en beschaving, het is overal eender: hebzucht en corruptie.

‘De laatste gasten’ is een pensionroman in de traditie van ‘Villa des Roses’ van Willem Elsschot. De setting herinnert aan Van Keulens eigen verblijf in De Pauwhof in Wassenaar waar ze in ‘Alle dagen laat ‘ over verhaalt. Ze vertoefde er korte tijd tussen schrijvers en wetenschappers die daar net als zij inspiratie zochten. In de roman is De Pauwhof veranderd in Meihof (naar het gedicht van Gorter) en verplaatst naar Amsterdam, maar de gasten blijven dicht in de buurt van de in van Keulens dagboek opgenomen portretten: een dranklustige kunstschilder, een weduwe van een beeldhouwer, een droevige redacteur van een uitgeverij, een oud-museumdirecteur.

Vertelster is de ‘ouwelijke’ 19-jarige Florrie, net ontsnapt aan een onderkomen bij haar dominante tante Lena, een kapster die haar klanten ook op andere manieren van dienst was: eerst knippen dan seks. Nadat ze een beroerte heeft gekregen, kruipt Lena, al op de eerste bladzijde, Florrie’s slaapkamer binnen.(,,Waarom was ze niet netjes in haar bed gebleven? Ze was niet netjes. Ze wilde mij ermee opzadelen.”)

De Meihof is voor Florrie het paradijs: vioolmuziek klinkt, het behang is mosgroen, prenten van vogels aan de muur en in de tuin rode kornoelje en gele monnikskap. De beheerster is een kalme vrouw die met de warme handdoek klaar staat als Florrie is natgeregend. ,,De wereld leek weids en fonkelend’’. Florrie’s enige vrees is dat haar oude leven haar zal achterhalen.

Als dit lustoord van rust, regelmaat, reinheid, en kunstliefde toch scheuren van leugenachtigheid en dubbelleven begint te vertonen is Florrie er van overtuigd dat deze verandering aan haar ligt. Maar duidelijk wordt dat Florrie’s komst alleen iets heeft losgemaakt dat altijd al verkeerd zat. Het mogen kunstminnende zielen zijn in het pension, daaronder zijn het ook maar mensen, egocentrisch, hebzuchtig en verzot op kamermeisjes.

Met die zondeval schurkt ‘De laatste gasten’ wat onbevredigend tegen eerdere pensionromans aan, maar daar staat tegenover dat Mensje van Keulen fantastisch schrijft. Alsof het ademhalen is, zo los en vanzelfsprekend.

Bovendien weet ze de informatie perfect te doseren, en soms achter te houden. Dat we geen heldere blik krijgen op Florrie komt doordat zij geen heldere blik heeft op zichzelf, noch op de anderen. Als een poes die net een thuis gevonden heeft, zo houdt ze zich schuil.

Eigenlijk trapt Florrie, net als de lezer, niet werkelijk in de hooggestemde conversaties, ze wil alleen graag de mythe van haar paradijs overeind houden. Zo gaat dat met groot worden: eerst is het zwart-wit, en het grijs wat volgt laat je maar mondjesmaat toe.

mailIcon print |