recensie De eerste slag in de oorlog tussen Amerika en de militante islam duurde exact 444 dagen. Zolang hielden vanaf eind 1979 radicale Iraanse studenten Amerikaanse diplomaten in gijzeling. Mark Bowden schreef een boeiend boek over dit drama dat Jimmy Carter zijn herverkiezing kostte. Ten onrechte, vindt de auteur, want zo slecht deed de president het helemaal niet.
Hij is hoogbejaard, maar Jimmy Carter weet nog steeds regelmatig het nieuws te halen. De Amerikaanse ex-president bemiddelt bij gewapende conflicten, waar ook ter wereld, onderzoekt schendingen van de mensenrechten, treedt op als waarnemer bij verkiezingen, en kritiseert als hij dat nodig vindt het beleid van zijn opvolgers, zoals Bill Clinton en George W. Bush hebben mogen ervaren.
Voor zijn tomeloze inzet kreeg Carter een paar jaar geleden de Nobelprijs voor de vrede. Het moet voor hem een geweldige genoegdoening zijn geweest, en ook een vorm van eerherstel. Want Carter dreigde de geschiedenisboeken in te gaan als een uiterst zwakke president, een weifelaar en zelfs stuntelaar die de ethiek in de politiek wilde brengen maar die niet opgewassen was tegen de harde (binnenlandse en buitenlandse) politiek. Toen hij in januari 1981 het Witte Huis verliet, was hij een gebroken man. Dat kwam door de gijzeling van Amerikaanse diplomaten in Iran die veertien maanden had geduurd en die uitgerekend diezelfde dag tot een oplossing kwam maar die Carter een paar weken eerder zijn herverkiezing had gekost.
In de ochtend van 4 november 1979 gijzelden fundamentalistische studenten in de Iraanse hoofdstad Teheran 66 Amerikanen in de ambassade van de VS. Zij eisten de terugkeer van de sjah naar hun land om berecht te worden voor de misdaden jegens het Iraanse volk die hij tijdens zijn bewind zou hebben begaan – hij was begin van het jaar zijn land ontvlucht en onderging in de VS een behandeling voor kanker. Na een aanvankelijke aarzeling schaarde ayatollah Khomeini, de nieuwe machthebber, zich achter de gijzeling. In de loop der tijd werden veertien Amerikanen vrijgelaten, 52 diplomaten zaten de volle rit van 444 dagen uit.
Over die 444 dagen heeft de Amerikaanse journalist Mark Bowden een interessant en bij vlagen boeiend boek geschreven. Het verscheen een klein jaar geleden in het Engels en kreeg over het algemeen gunstige recensies in de Verenigde Staten en Groot-Brittannië. Het is nu in het Nederlands verschenen.
Bowden beschrijft de gijzelaarskwestie (‘de eerste slag in de oorlog tussen Amerika en de militante islam’) vanuit verschillende gezichtspunten. Hij schetst de achtergrond van de Iraanse studenten die de operatie bedachten en uitvoerden, onder wie de huidige president Ahmadinejad (hoewel deze zijn betrokkenheid ontkent), portretteert de tientallen Amerikaanse gegijzelden, belicht de moeizame relatie tussen de VS en Iran en gaat uitvoerig in op de mislukte bevrijdingsactie.
De hoofdstukken over ’Eagle Claw’ – de codenaam van deze actie – zijn het vlotst geschreven. Alles wat fout kon gaan, ging in april 1980 ook fout – de beruchte wet van Murphy. Zandstormen die twee helicopters onklaar maakten, een botsing van een helikopter met een vrachtvliegtuig, verkeerde berekeningen, miscommunicatie; het werd een gruwelijke mislukking. Een generaal belde Carter op om het slechte nieuws te vertellen. ,,Zijn er veel doden’’, vroeg de president. Zijn perschef zag hoe hij de ogen sloot, waarna Carters mond openviel en hij wit wegtrok. Acht soldaten waren omgekomen.
Bowden weet aan het langdurige gijzeldrama weinig nieuwe elementen toe te voegen, maar die illusie heeft hij waarschijnlijk ook niet gehad. Er zijn natuurlijk ook al veel boeken over geschreven - Bowden put er uitvoerig uit. Sterker, hij maakt gebruik van de interviews met de gegijzelden die kort na hun vrijlating zijn gehouden. Met velen van hen heeft hij zelf ook gesprekken gevoerd, bijna een kwarteeuw later. Uitputtend, gezien de vele details die hij de lezer doorgeeft.
De auteur weet aannemelijk te maken dat Carter achter de schermen niet voortdurend die weifelende president was waarvoor hij is versleten. Hij kon wel degelijk kordaat zijn. Zo gaf hij al kort na het begin van de gijzeling de opdracht te onderzoeken of en hoe zijn landgenoten konden worden bevrijd. En hij liet ook al vrij snel beslag leggen op de Iraanse banktegoeden in de VS.
Carter had zich echter in een moeilijke positie gemanoeuvreerd door - na een aanvankelijke weigering - luttele weken vóór de gijzeling toch akkoord te gaan met het verzoek van de verdreven sjah in de VS een medische behandeling te mogen ondergaan. Hij was gevoelig voor de argumenten van zijn adviseurs. Alsof hij in toekomst kon kijken, hield Carter hen wel de vraag voor: ,,En wat gaan jullie me adviseren als ze de ambassade binnenvallen en onze mensen in gijzeling nemen?’’ Hij kreeg daarop geen antwoord, merkt Bowden droogjes op. Vooral deze toestemming van Carter had de woede gewekt van de Iraanse studenten; aan hun eis dat de sjah naar Iran zou terugkeren, kon hij natuurlijk onmogelijk voldoen.
De president had altijd hoog opgegeven van de sjah, een baken van stabiliteit en een trouwe bondgenoot van Washington. Dat laatste was zeker waar. De sjah had zijn troon aan de Amerikanen te danken. CIA-agent Kermit Roosevelt, kleinzoon van president Theodore Roosevelt, was een van de breinen achter de staatsgreep van 1953 toen de gekozen Iraanse regering werd afgezet en vervangen door de sjah, afkomstig uit de Pahlavi-dynastie. Maar dat de ethisch bevlogen Carter, de man die eerlijke politiek wilde bedrijven, hem voortdurend prees en de hand boven het hoofd hield, was opmerkelijk. Want de president kon toch weten dat de sjah een hard regime voerde en weinig op had met mensenrechten en democratie.
Het is onthullend te lezen hoe slecht voorbereid de Amerikanen waren op de machtswisseling in Teheran, begin 1979. Nog geen halfjaar voordat de sjah op de vlucht sloeg en Khomeini vanuit zijn ballingsoord in Frankrijk naar zijn geboorteland terugkeerde, concludeerde de CIA dat het land ’zich niet in een revolutionaire of zelfs maar prerevolutionaire situatie bevond’. En de geheime dienst zag evenmin de gijzeling aankomen, hoewel er toch iets in de lucht hing en Carter zelf kennelijk wist dat hij, door toe te geven aan de sjah, gevaarlijk spel speelde.
Het boek van Bowden draait niet alleen om de hogere politiek. Het gaat ook uitvoerig in op het lot van de slachtoffers die - psychisch en lichamelijk - een langdurige gijzeling moesten zien te verwerken. De diplomaten vreesden zeker in het begin voortdurend voor hun leven. Het gevaar loerde van drie kanten: ze konden gedood worden door de studenten, door de woedende menigte buiten de ambassade, of bij een bevrijdingsactie.
Er staan beklemmende passages in. Wat te denken van de ervaringen van consul-generaal Dick Morefield? Hij werd in de eerste week van de gijzeling midden in de nacht gewekt en geboeid en met een deken over zijn hoofd weggevoerd. Morefield vreesde geëxecuteerd te worden. Die vrees leek werkelijkheid te worden toen hij, samen met een paar medegegijzelden, met zijn gezicht naar beneden op een koude betonnen vloer moest gaan liggen en hoorde hoe de bewakers hun wapens in gereedheid brachten. Drie jaar eerder was zijn negentien jaar oude zoon en naamgenoot Dick exact hetzelfde overkomen. Tijdens een overval op een restaurant waar hij werkte moest hij met drie collega’s voorover op de betonnen vloer van de koelruimte gaan liggen waarna ze ieder drie schoten in het hoofd kregen. Vader Dick hoorde nu ook de klik van de haan van het geweer....en toen niets. De patroonkamer was leeg.
Mark Bowden weet zulke angstaanjagende details met gevoel voor dramatiek te verwoorden. Soms gaat hij over de schreef, en wordt zijn schrijfstijl bombastisch en clichématig. ,,Terwijl de mist heuvelafwaarts kroop door de uitdijende stad en over de campus van de Amir Kabir Universiteit waar Hashemi (een van de studenten/gijzelnemers – cw) zich naartoe haastte voor zijn vergadering, was Iran in verwarring; het land bevond zich midden in een revolutie, het was gevangen in de strijd tussen verleden en heden.’’ Was het land niet meer in verwarring toen de mist was opgetrokken?
Vlak voor de presidentsverkiezingen van november 1980 leek er een doorbraak ophanden. Een tijdige vrijlating van de gegijzelden had Jimmy Carter nog aan de overwinning kunnen helpen. Maar het feest ging niet door. Er ontstonden geruchten dat rivaal Ronald Reagan, die Carter verpletterend versloeg, het op een akkoordje met de gijzelnemers had gegooid. Bewijzen daarvoor zijn nooit gevonden, en Bowden vindt Reagan ook niet de persoon voor zo’n laaghartige deal.
De Iraniërs gaven volop voedsel aan deze complottheorie. Ze lieten de 52 diplomaten op 21 januari 1981 gaan, twintig minuten nadat Reagan als president was beëdigd. De vernedering van Carter was compleet. In de epiloog steekt Bowden de man, die er helemaal alleen voor had gestaan en die in de steek gelaten was door zijn bondgenoten en ook door de VN, een hart onder de riem: ,,President Carter verdient lof voor zijn terughoudendheid.’’
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.