*

 

Mooi toch, die gele ster op hun jas!

Hanna de Heus − 13/01/07, 00:00

recensie Lichtvoetig schrijven over nazisme, door de ogen van een kind dat van niets weet, dat is een riskante onderneming.

Haar vader was nazi; ze groeide op in Hitler-Duitsland, eerst in Berlijn, later - vanaf 1943 - als evacué op het platteland, in het kasteel van haar grootvader, die juist anti-nazi was. Over die jaren heeft de volwassen Von Zeppelin, psychoanalytica van beroep, meer dan zestig jaar later een roman geschreven.

Hoe doe je dat? Hoe beschrijf je die beladen periode door de ogen van een kind? Von Zeppelin kiest voor het perspectief van de kleine Ilka, maar geeft haar de woordenschat mee van een volwassen vrouw. Dat heeft een gekunsteld effect: alsof iemand die heel goed weet hoe de verhoudingen liggen, zich toch kinderlijk naïef voordoet.

Zo vertelt ze over haar veranderde vader, die vroeger altijd zo vrolijk en grappig was en op wie ze mocht paardjerijden: ,,Wanneer hij nu heel zelden en altijd voor heel korte tijd thuiskwam, was het anders. Zijn uniform kriebelde en we mochten niet eens bij hem op schoot vanwege de plooien in zijn broek en we mochten ook niet door zijn haar woelen want dan zou zijn rechte scheiding in de war raken.’’Von Zeppelin wil kennelijk zeggen dat vader zichzelf niet meer is sinds de opkomst van het nationaal-socialisme. Ze oordeelt zoals een kind dat zou doen, maar omdat je weet dat dit niet het authentieke relaas van een kind zelf is - zoals de dagboeken van Anne Frank dat wel zijn - is zo'n passage ook te mager. Het krijgt iets van een slecht excuus: door zich te verschuilen achter de blik van het kind hoeft Von Zeppelin nergens diep op in te gaan.

Dat stilistische trucje wordt steeds maar weer toegepast: kind observeert gedrag van volwassenen en schrikt van de plotselinge onvoorspelbaarheid daarvan. Zo mag ze in de tram niet zeggen dat iemand zo'n mooie gele ster op zijn kleding heeft want dan worden de volwassenen kwaad. En zo moet ze op de dorpsschool de Hitlergroet brengen maar als ze dat thuis ook doet ontsteekt haar grootvader in woede.

Als Von Zeppelin haar jeugdherinneringen had afgewisseld met passages vanuit een hedendaags historisch perspectief, was het ongetwijfeld een complexere taak geweest deze roman te schrijven, maar het had wel een rijkere tekst kunnen opleveren. Ook het vakgebied van de schrijfster, de psycho-analyse, had haar daarbij te hulp kunnen komen. Nu blijft de roman halverwege steken: enerzijds in kinderlijk egocentrisme - Ilka hoopt bijvoorbeeld dat er een bom zal vallen, liefst op het huis van de buren, zodat ze haar verzameling granaatscherven kan uitbreiden -, anderzijds in kinderlijke naïviteit: de oorlog als avontuur in plaats van als verschrikking.

Wat von Zeppelins roman wél goed duidelijk maakt, is dat een oorlog voor kinderen vaak makkelijker te hanteren is dan voor volwassenen, omdat kinderen het overzicht op de gebeurtenissen niet hebben, en omdat ze nog zo flexibel zijn dat ze zich makkelijk in hun eigen wereld terug te trekken.

Natuurlijk, een kind in een oorlogsgebied voelt ’dat er iets niet klopt’ en zal er de nodige littekens aan overhouden, maar het speelt ook 'gewoon' door, daar waar het leven van volwassenen met een harde klap tot stilstand komt of voor altijd diepgaand wordt beschadigd.

In een tijd waarin we geneigd zijn onschuldige kinderen als de meest tragische slachtoffers van oorlogen en natuurrampen te zien, toont deze roman dat het kind-zijn juist een zegen is, en een emotionele bescherming kan bieden tegen de afschuwelijke realiteit waar voor volwassenen geen ontkomen aan is.

mailIcon print |