*

 

Bekeerd, beschaafd - en ongelukkig

Annemarié van Niekerk − 13/01/07, 00:00

recensie Kolonisatie, zending: het is vaak goed bedoeld, maar leidt niettemin vaak tot vernedering van de gekoloniseerde. Dát gevoel weet André Brink uitstekend tastbaar te maken in ’De bidsprinkhaan, één van zijn beste romans tot nu toe. Hoofdpersoon is de zwarte, 18de-eeuwse bekeerling Kupido Kakkerlak, die van zijn deelname aan de wereld van blanke christenen niet gelukkiger wordt.

Maar al te vaak behandelt de ene mens de ander op een manier die op het moment zelf een schijn van legitimiteit bezit. Maar onder het mom van ’wij weten beter’ en ’voor hun bestwil’ vinden er menigmaal dingen plaats waaronder de slachtoffers en hun nazaten nog lang te lijden hebben, dingen die voortspruiten uit een diepgewortelde minachting voor andermans cultuur, geloof, kennis en gewoonten.

Deze neiging om de eigen normen en waarden aan anderen op te leggen vormt het onderwerp van André Brinks laatste roman ’De bidsprinkhaan’.

Het verhaal speelt zich af in de 18de eeuw, een tijdperk waarin het binnenland van Zuid-Afrika in toenemende mate werd gekoloniseerd en gekerstend. De niet zelden gewelddadig verlopende confrontatie tussen Europa en Afrika én de botsing tussen het christendom en de animistische natuurgodsdienst krijgt gestalte in het leven en lijden van Kupido Kakkerlak, een historisch personage wiens biografie door Brink op grond van het nodige bronnenonderzoek werd gereconstrueerd.

Kupido, die leefde van ongeveer 1760 tot 1825, groeit uit tot de held van een veelzijdig, meerstemmig en meeslepend verhaal waarin tragiek en subtiele humor elkaar voortdurend afwisselen.

Van Kakkerlak, de eerste Khoi die door het Londense Zendinggenootschap als Zuid-Afrikaans zendeling werd aangesteld, zijn in de archieven enige – vertaalde en bewerkte – brieven bewaard gebleven. Onnodig te zeggen dat met herschrijving een groot deel van de authenticiteit verloren ging.

Paradoxaal genoeg stelde juist het verlies aan authenticiteit Brink in staat de leemtes met behulp van zijn verbeelding in te vullen. Dat resulteerde in een van zijn beste romans tot nu toe. Door een gemarginaliseerde figuur een hoofdrol toe te bedelen, weet hij stem te geven aan diegenen die in het culturele annexatieproces van hun identiteit werden beroofd.

Kupido komt ter wereld als gunsteling van de Khoi-god Heitsi-Eibib, hier gesymboliseerd door de bidsprinkhaan (oftewel de ’hottentotsgod’, zoals hij in het Afrikaans heet). De mysterieuze omstandigheden van zijn geboorte en zijn jeugdjaren als miraculeuze jager vormen het onderwerp van het eerste deel.

Daarin is de stijl geënt op de orale verteltradities van de Khoi. We vernemen hoe Kupido opgroeit op een boerderij van Nederlandse kolonisten, totdat hij op een dag, verlokt door de woorden en de koopwaar van de marskramer Servaas Ziervogel, het besluit neemt om de wijde wereld in te trekken.

Opvallend genoeg zet hij deze stap nadat hij zichzelf voor het eerst heeft gezien in een van de door Ziervogel vervoerde spiegels. Daarmee heeft hij contact gemaakt met een tot dan toe onbekende laag van zijn persoonlijkheid en ontdekt hij, net als Adam en Eva toen ze aten van de paradijsvrucht, de waarheid.

Tijdens de omzwervingen in gezelschap van Ziervogel komt hij los van zijn vertrouwde achtergrond en ontpopt hij zich tot drinkebroer, praatjesmaker, vechtersbaas en rokkenjager.

Het tweede deel van de roman bevat het relaas van een herboren Kupido. Voordien hadden we al kunnen lezen hoe hij enigszins tot inkeer was gekomen na de met vonken omgeven vereniging met Anna Vigilant, een mythische vrouwengestalte die zijn echtgenote en de moeder van zijn kinderen wordt. Kort daarop weet de legendarische dominee Van der Kemp hem tot het christendom te bekeren. Daarmee heeft Kupido Kakkerlak een definitieve metamorfose ondergaan.

In dit tweede deel wordt de pen gevoerd door de bezadigde en rationeel ingestelde zendeling Read, wiens tekst keurig in overeenstemming is met een beproefd 19de-eeuws stramien. Het formele en archaïsche karakter van de betoogtrant is door vertaler Rob van der Veer uitstekend weergegeven.

Reads verslag, waarin de verwondering over Kupido’s bijzondere hoedanigheden de rode draad vormt, gaat twee verschillende richtingen uit. Aan de ene kant voelt hij affiniteit en waardering, nogal een zeldzaamheid voor blanken uit die tijd. Aan de andere kant erkent hij af en toe versteld te staan over Kupido’s anders zijn, waarmee hij de welhaast onoverbrugbare kloof tussen de culturen en standsverschillen bevestigt die hen beiden scheidt.

Die kloof bepaalt ook de communicatie. Voor Read zijn taal en tekst vanzelfsprekende fenomenen. Kupido daarentegen onderneemt wanhopige pogingen om zich een vreemde schrijf- en leescultuur eigen te maken, waarbij hij zelfs zo ver gaat de Bijbel letterlijk, bladzij voor bladzij, op te eten.

Het derde en laatste deel van de roman handelt over de ijdele pogingen van Kupido en zijn tweede vrouw om in opdracht van het Londense Zendinggenootschap een gemeente te stichten in het droge en desolate gebied van Dithakong (’plaats van stenen’).

Hier leert de hoofdpersoon, min of meer naar voorbeeld van de bijbelse Job, wat het betekent om de prooi te worden van ontheemding en minachting. Zo naakt en alleen komt hij te staan dat hij haast ongemerkt versmelt met het kale en dorre landschap.

Ik ken weinig boeken waarin de ervaring van kolonisering en kerstening zo voelbaar wordt verbeeld als in deze roman. Kupido’s onafwendbare gang naar het verdwijnpunt culmineert in een laatste, aangrijpende brief aan God, door hem met eigen bloed gegrift op een laatste stuk papier. Dan keert hij, samen met de gevluchte slaaf Arend, zijn bestaan de rug toe en gaat op weg naar een onbekende ruimte waarvoor hij nog maar één enkel woord beschikbaar heeft: ’Daarheen’.

mailIcon print |