*

 

Sukkels van papier

Rob Schouten − 06/01/07, 00:00

recensie Stoere helden waren altijd al spaarzaam in de Nederlandse literatuur, maar de laatste jaren zijn ze zelfs van het toneel verdwenen. Nu hebben de sneue eikels de overhand: uitgesproken kneuzen en stumperds, in verwarring gebracht door de bevrijde vrouw, en slachtoffer van pornografie en seksindustrie - mannen met kippenborst, mislukte loopbaan en een wanhopig seksleven.

Mannelijke helden zijn in de Nederlandse letteren nooit dik gezaaid geweest. Wie bij ons op zoek gaat naar literaire heroïek ervaart vooral de wijsheid van ’doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg’.

Figuren als de nobele held Walewein of de onweerstaanbaar sluwe Reynaert de Vos konden zo te zien alleen optreden in onze vroege literatuur, toen toehoorders nog om stevige voorbeelden vroegen. Ook historische romans permitteerden zich nog wel eens een echte held, zoals Jan van Schaffelaar of Willem van Oranje, maar in onze eeuw is het verschijnsel zo goed als uitgestorven.

In mijn jeugd had je op televisie Ivanhoe en Floris van Rozemond, maar in de jeugdliteratuur van die tijd waarden toen al dubbelzinniger helden rond. Een boek dat een onvergetelijke indruk op mij maakte was ’Alleen tegen alles’ van An van der Loeff-Basenau, over een ontluikende puber die wordt gebiologeerd door seksualiteit en zelfmoordgedachten, en zo was het natuurlijk ook. De (jonge)man was allang geen koene ridder meer maar een dolende, die zijn weg moest zien te vinden.

Wie de grote voorbeelden in de naoorlogse literatuur in kaart brengt, stuit op een heel legertje individualisten, outcasts, helden van de geest soms maar zeker niet van de daad. Het begint natuurlijk met Frits van Egters uit Gerard van het Reve’s ’De avonden’, de gezichtsbepalende jongeman uit de naoorlogse literatuur, geestig, bizar, dwars, maar met niks van de ouderwetse krachtpatser. Henri Osewoudt uit Hermans’ ’De donkere kamer van Damocles’ is al helemaal het type van de antiheld met een bijpassend uiterlijk: ’een half hoofd kleiner dan de andere jongens uit zijn klas (...) een klein monster, een rechtopstaande pad.’ En dan Han de Wit uit Heere Heeresma’s roman ’Han de Wit gaat in de ontwikkelingshulp’. De goedbedoelende sukkel is gekleed in een ’korte broek waarin moeder hem thuis het liefst zag’. Zelfs een brommer is hem te machtig, hij verongelukt op dat armeluis-symbool van vaart en mannelijkheid.

Het is opvallend dat het handjevol stoere helden uit de naoorlogse literatuur – de hoofdpersoon uit ’Ik Jan Cremer’ of de ik-figuur uit ’Turks fruit’ van Jan Wolkers – direct ook een soort machoachtige allure krijgt, alsof ze zich vooral moeten afzetten tegen brillende nerds met een gymnasiumdiploma. Ze lijken nauwelijks echt.

In 1979 schreef de toen nog jonge schrijver Oek de Jong de roman ’Opwaaiende zomerjurken’, met de hoofdpersoon Edo Mesch, vol innerlijk leven, gevoelsbewegingen en moederbinding, een papjongetje eigenlijk. Ook de hoofdpersoon uit Maarten ’t Harts ’Een vlucht regenwulpen’ uit 1978 lijdt aan een opmerkelijke vorm van isolement en eenkennigheid. Het bracht in 1981 literatuurwetenschapper Ton Anbeek ertoe om een ander soort literaire helden te vragen, met meer straatrumoer om zich heen, die niet langer ’ in de marge van de maatschappij, of liever: het leven staan’ en die niet langer ’geen lust tot enige betrokkenheid bij de gebeurtenissen van de dag tonen’.

Sindsdien is er inderdaad het nodige veranderd, mannelijke hoofdpersonen werden minder individualistisch en meer geëngageerd, ze sloten zich niet langer met Oedipuscomplex en al op, maar een ondubbelzinnige ’held van onze tijd’ is daar bepaald niet uit voortgekomen. Integendeel, het heeft er alle schijn van dat de papieren man aan zijn langverbeide maatschappelijke betrokkenheid ook prompt ten onder is gaan.

De laatste jaren maken uitgesproken kneuzen de dienst uit, mislukkelingen, jongens en mannen die zich nauwelijks staande kunnen houden. In 1997 schreef een zekere Gert-Jan van Exel een roman genaamd ’Sneue eikels’. Schrijver en boek zijn sindsdien vergeten maar de titel diagnosticeert feilloos de hedendaagse mannelijke hoofdpersonen.

Het sneue eikelvirus woedt de laatste jaren in alle lagen en richtingen van de literatuur, van hoog tot laag, bij debutanten en gelouterde schrijvers. Neem Stijn van der Loo, nog niet zo lang maar wel succesvol bezig, genomineerd voor de longlist van de Librisprijs en winnaar van de Schrijversprijs der Brabantse Letteren 2005. Nieuwste roman ’De held Jacob Mulle’. De titel alleen al wekt achterdocht en inderdaad, de heldendromen van leraar Jacob Mulle stranden van meet af aan, de begeerde leerlinge Helena Schipper komt hem niet verlossen, noch de schim van zijn vader. Ook het onderwijs baat niet. Het is allemaal niks, of nee niet eens dat, het is allemaal hopeloos middelmatig. In de slotregels wordt de eindstand opgemaakt: ,,Nergens een grootse daad, alleen wat bescheidenheid, een eigen plekje, niet wereldschokkend, omverwerpend, niets daarvan. Gewoon een klein plaatsje middenin het leven. Niet ernaast, niet ertegenaan, niet er ver vooruit. Er middenin.”

De sneue eikel is niet eens een anti-held, hij is helemaal niemand, juist omdat hij iemand probeert te zijn.

Ook de hoofdpersoon in Frank Ketelaars debuutroman ’Avond aan avond’ (dat belooft niet veel afwisseling) is onmiskenbaar drager van het virus, de flaptekst laat weinig te raden over: ,,De carrière van Johnny Beverly zit in het slop en privé gaat het al niet veel beter. Tanend succes, een gedroomde theatertournee, een vermoeide manager, een zwanger tienermeisje uit Grasdijk en een vrouw met een wanhopige kinderwens: ’Avond aan avond’ is een onweerstaanbare tragikomedie over een man die niet kan begrijpen dat de koek op is.” Een goeie baan in het onderwijs, een carrière op de planken, je hoeft allang geen landloper of junk meer te zijn om toch lelijk te verzanden.

Op het omslag van een andere zojuist verschenen debuutroman, ’Man’ van Michel van Eekeren, prijkt een van de grootste bedreigingen van de nieuwe man: een romig vrouwendecolleté. Uiteraard gaat het ook in ’Man’ mis met de hoofdpersoon, een nette musicoloog. Hij begint zijn piemel allengs vaker in het tissuedoosje te steken, raakt begoocheld door een paaldanseres en componeert ook eigenlijk niks bijzonders.

Klaarblijkelijk zitten zulke fatale obsessies in de lucht, de man in ’Man’ wordt verscheurd door Mahler en porno, die in Christiaan Weijts succesvolle eersteling ’Art 285b’, genomineerd voor de AKO-literatuurprijs, stalkt onder invloed van Scarlatti en de seksindustrie een erg hedendaags meisje uit een peepshow. Het is wel duidelijk dat de opbloei van porno in Nederland langzamerhand een fatale uitwerking begin te krijgen op het geestelijk evenwicht van mannelijke literaire personages. Overmatige blootstelling aan vrouwenvlees vernietigt her en der ambitie en talent.

In de verte herkennen we hier overigens het Professor Unrat-complex, een eeuw geleden reeds in kaart gebracht door Heinrich Mann: gestudeerd man glijdt af door verkeerde invloeden. Die gang van beschaving naar verslaving is aan het begin van de 21ste eeuw epidemisch geworden.

Ook Arnon Grunberg lijkt op zijn geheel eigen wijze gegrepen door een variant van het virus. In zijn jongste roman ’Tirza’ probeert Jörgen Hofmeester, redacteur bij een uitgeverij maar aldaar op non-actief gesteld, vergeefs de moderne wereld van zijn dochters tegen te houden. De band met zijn echtgenote is cynisch, dus legt hij het, à la Kevin Spacey in de film ’American Beauty’, aan met een vriendin van zijn dochter; verder dwaalt hij in zijn vermeende werktijd verloren rond op Schiphol om maar niet thuis te zijn. Kunnen midlifecrisissen nog illusielozer zijn, vraagt de lezer zich na afloop af.

Maar het is niet louter de mannelijke midlifecrisis die schrijvers van nu in kaart brengen. Het is de neergang van de hele soort die op het programma staat. De onvermijdelijke vraag bij zo’n overvloed aan mannelijke losers en stumperds is: wat is er sinds Henri Osewoudt en Han de Wit fout gegaan?

Het lijdt natuurlijk geen twijfel dat schrijvers traditiegetrouw liever verscheurde dan harmonieuze hoofdpersonen op de wereld zetten. Of de literaire kneus dus een getrouwe weerspiegeling is van de hedendaagse man is nog maar de vraag, maar opmerkelijk is het zeker dat er zoveel regelrechte verliezers optreden in de letteren van tegenwoordig. Ze lijken vooral het slachtoffer te zijn geworden van maatschappelijke ontwikkelingen van de laatste decennia. Ook al zijn ze goed opgeleid, ze raken niettemin gefrustreerd in hun werk, of dat nu onderwijs of redactiewerk is (bij Van der Loo en Grunberg), of zich afspeelt in de kunstenaarswereld (bij Van Eekeren en Weijts); ze worden verscheurd tussen hun professionele ambities en hun hormonen.

Naar het zich laat aanzien is de sneue eikel ook en vooral een product van de vrouwenemancipatie, de bevrijde vrouw brengt de man van nu in complete verwarring, als echtgenote loopt ze bij hem weg of stelt haar eisen (Grunberg, Van Eekeren), als loslopend maar onafhankelijk lustobject drijft ze hem tot wanhoop. Alle hoofdpersonen uit de hier besproken romans knopen relaties aan met mooie, jonge meiden, die hen onder de vlag van de seksuele vrijheid ook weer even makkelijk dumpen.

Ook de ontketening van pornografie en seksindustrie lijkt deze moderne man geen goed te hebben gedaan. Sinds hij naar peepshows kan, op internet onopgemerkt zijn gerief kan halen, en zichzelf kan afgeven met begeerlijke tienermeisjes, staan zijn klieren roodgloeiend, maar hij weet niet hoe hij moet omgaan met die overmaat aan seks, hij wordt een stalker, een zeurpiet.

Opmerkelijk daarbij is dat het concept van de sneue eikel voornamelijk afkomstig is van mannelijke schrijvers zelf. Misschien hebben we daarom wel te maken met een soort geïnverteerd baltsgedrag. Vroeger liet je je borst zwellen en toonde je je mooiste veren, tegenwoordig schotelen schrijvers hun lezeressen, die immers het gros van hun publiek uitmaken, een heel ander type hoofdpersoon voor, iemand met kippenborst, mislukte loopbaan en wanhopig seksleven, een man die de geëmancipeerde vrouw makkelijk aankan. Zo is de literaire loser van tegenwoordig vast en zeker het resultaat van maatschappelijke en culturele krachten maar evenzeer van een opmerkelijke literaire marktwerking: u vraagt, wij falen!

mailIcon print |