*

 

Geen gedweep met eruditie en talenkennis

Peter de Boer − 06/01/07, 00:00

recensie De Amerikaanse kinderarts William Carlos Williams schreef ’ready-made-gedichten’ die letterlijk in de werkelijkheid ’gevonden’ zijn. Zo simpel dat de vraag opkomt of dit wel poëzie is.

De kinderarts en dichter William Carlos Williams (1883-1963) is een van de grondleggers van het Amerikaanse modernisme. Hij stond daarbij, in tegenstelling tot zijn vriend Ezra Pound en de pontificale T.S. Eliot, radicaal aan de verstaanbare, uit de alledaagse taal en het alledaagse leven puttende kant van dat vroeg-modernistische spectrum. Zelf zo highbrow als het maar kon, verwierp hij de highbrow-exercities van Pound en Eliot – ook modernisten, maar uit het andere kamp – en pleitte hij voor een zo direct mogelijke weergave van de werkelijkheid. Geen gedweep wat hem betrof met eruditie, talenkennis, literaire voorgangers uit vroeger eeuwen etc.

Van Williams’ poëzie was in Nederland tot voor kort hoegenaamd niets vertaald. De uitgave van ’Even dit’, een tweetalige bloemlezing uit diens werk van Huub Beurskens, die zelf de vertalingen maakte, is dan ook een primeur. De titel van de bloemlezing verwijst naar een van de bekendste gedichten van Williams, ’This is just to say’ uit 1934, dat Beurskens heel vrij maar perfect aangevoeld vertaalde als ’Even dit’. Het gedicht gaat aldus: ’Ik heb / de pruimen / uit de koelkast / opgegeten // die je / vast had / willen bewaren / voor het ontbijt // Het spijt me / ze waren heerlijk / zo zoet / en zo koud’. Een typische ’ready-made’, dit gedicht, dat wil zeggen een gedicht dat letterlijk zo in de werkelijkheid ’gevonden’ is. Het schijnt dan ook terug te gaan op een krabbeltje dat Williams ’s avonds laat voor zijn vrouw heeft geschreven (in proza, dus zonder de hier aangehouden regelval ongetwijfeld).

Het gedicht is zo simpel dat je je af kunt vragen of het wel poëzie is! In zijn nawoord stelt Beurskens zich deze vraag, maar dan met betrekking tot Williams’ poëzie als geheel, ook. Echt beantwoorden doet hij die vraag helaas niet, omdat hij die benadering voor dit soort impulsieve, directe poëzie te theoretisch vindt, waar overigens wel wat voor te zeggen is. Hij merkt wel ironisch op dat dit en andere gedichten van Williams vaak werkelijk ridicule highbrow-interpretaties heeft opgeleverd, om er toch maar vooral voor te zorgen dat deze dichter van naam onder de ’hoge’ kunst zou vallen, iets wat hij nou juist, bij alle ambivalentie, niet wilde!

Laat ik eerlijk zijn. Ik vind ’Even dit’ in zijn tijd gezien een belangrijk en opmerkelijk gedicht; het doorbrak als ready-made alle stijlconventies van zijn tijd. Maar zelf poëtisch bewust geworden in een tijd waarin Cees Buddingh’ in een gedicht constateerde dat ’het deksel van een potje marmite’ precies past op een ’klein potje heinz sandwichspread’ sla ik van zo’n ’vervreemdende’ poëtische observatie natuurlijk niet meer achterover. Williams komt de eer toe daar veel eerder dan Nederlandse dichters mee aangekomen te zijn. Akkoord. Maar wat heeft zijn poëzie ons los daarvan nu nog te zeggen?

Wel, heel veel, denk ik, wanneer je die in Amerika grijsgebloemleesde gedichten als ’This is just to say’ of het minstens zo vermaarde ’The red wheelbarrow’ (‘De rode kruiwagen’) even als historische ’highlights’ terzijde schuift. Een gedicht als ’De droefheid van de zee’ (zie kader) lijkt mij in onze tijd veel indrukwekkender. Vooral die eerste strofe, waarin het eeuwig stuklopen van de golven in de branding de droeve eentonigheid van de zee verbeelden, is sterk. De tweede strofe voegt daar met ’broze kammen’ en het ’onvolmaakte schuim’ de nodige negativa aan toe. Maar de derde strofe stelt na ’Er is geen hoop’ met een zich mogelijk geleidelijk (in hoeveel duizenden jaren?) vormend koraaleiland tóch iets hoopvols en creatiefs voor: een vruchtbare en bewoonbare plek in spe! In dit gedicht gaan werkelijkheid en utopie een vruchtbare alliantie aan. Bedenk wel: de golven worden al in vs. 2 met ’woorden’ vergeleken! Uiteindelijk zullen de woorden, hoewel steeds stuklopend in de branding, ooit, in een verre toekomst, iets nieuws neerzetten. Dat is dan geheel conform Williams’ credo: ’Geen ideeën dan in de dingen’, zoals hij in ’Een soort lied’ stelt, een gedicht dat eindigt met: ’Steenbreek is mijn bloem, ze splijt / rotsen’.

Rotsen splijten. Dat is wat goede poëzie doet, ongeacht haar hogere of lagere stijl. En dat is ook wat Huub Beurskens in zijn vertaling op een prachtige wijze naar voren brengt.

mailIcon print |