*

 

Aardse contra hemelse machten

Peter van Nuijsenburg − 06/01/07, 00:00

recensie Na de Franse Revolutie liepen de kerken leeg. Nationalisme, socialisme en communisme leken beter in te kunnen spelen op de problemen van de 19de eeuw. De Britse historicus Michael Burleigh beschrijft in zijn studie over de relatie tussen politiek en religie hoe de kerk (en dan vooral het Vaticaan) op de opkomst van deze drie grote ’-ismen’ reageerde.

Ongeveer halverwege zijn monumentale studie over de relatie tussen politiek en religie in het 19de eeuwse Europa citeert Michael Burleigh een gedicht van de Victoriaanse dichter Matthew Arnold:

’Ooit was ook de zee van het geloof

Geheel gevuld, en lag rond ’s werelds kusten

Als de plooien van een stralende gordel.

Maar nu hoor ik zijn melancholiek, lang, terugtrekkend gebrul

Afzwakken tot de adem van de nachtwind op de brede stranden

Langs de sombere en kale kiezelstranden van de wereld.’

Deze verzuchting was geheel in overeenstemming met de tijdgeest. Het geloof leek onherroepelijk op zijn retour, het kerkbezoek daalde, God had concurrentie gekregen van andere afgoden en het zag er niet naar uit dat het tij zou keren. Sinds de Franse Revolutie van 1789 werd uit alle macht aan de poten van de preekstoel gezaagd en het wachten was op het onvermijdelijke moment dat hij zacht kreunend in elkaar zou zakken.

Dat is natuurlijk in grote delen van Europa ook gebeurd. Deze secularisering vindt misschien wel zijn treffendste uitdrukking in kerken die herbouwd zijn tot luxeappartementen of voor de jaarlijkse uitverkoop in gebruik worden genomen door de tapijthandel.

Maar zoals Burleigh in zijn ’Aardse Machten’ aantoont is dat niet het hele verhaal. God mocht dood verklaard zijn of tenminste met pensioen gestuurd, maar dat betekende niet automatisch dat er geen plaats meer was voor enige vorm van religie. Religie was niet alleen de georganiseerde aanbidding van het opperwezen. Het was ook een sociaal bindmiddel. Zonder religie en vooral zonder haar rituelen en liturgie zou er een vacuüm kunnen ontstaan waardoor de mensen op gekke gedachten zouden komen. Dat is iets wat alle heersers van alle tijden vrezen. Het was dus wenselijk om in die leemte te voorzien. Dat was het moment waarop de ’religies zonder god’, de civiele, of seculiere religies op het toneel verschijnen.

Hier werd het voortouw genomen door de Jacobijnen, de radicalen die na de Revolutie de macht hadden gegrepen Ze organiseerden allerlei evenementen die ’het volk’ bij de revolutie moesten betrekken. Dat waren, in tegenstelling tot de andere activiteiten van deze fanatici, nogal bloedeloze aangelegenheden. Het hoogtepunt was de aanbidding van de Godin van de Vrijheid (die eerst ’Rede’ heette; vlak voor de voorstelling werd de naam veranderd) in Parijs. Daartoe werd een groots opgetuigde operazangeres aan de massa getoond, maar een doorslaand succes kon het niet genoemd worden. Het ontbrak aan drama. Zoals een van de grote draaikonten uit die tijd, de aanvankelijk revolutionaire, maar na Napoleons nederlaag reactionaire ex-geestelijke Talleyrand verklaarde, - en hij kon het weten – : er ging niets boven een kruisiging die drie dagen later gevolgd werd door een herrijzenis.

De fletse probeersels van de Jacobijnen werden gevolgd door seculiere religies met meer potentie zoals nationalisme, socialisme en communisme die bovendien beter dan de gevestigde kerken leken in te spelen op de problemen en crises van de 19de eeuw. Burleigh is het interessantst als hij de reacties van de kerk, en bij hem is dat vooral het Vaticaan, op de opkomst van deze drie grote ’-ismen’ beschrijft.

De kerken hadden na de Revolutie hun vanzelfsprekende positie als het maatschappelijk en ideologisch legitimerend fundament van hun thuislanden verloren en moesten vooral na de tweede grote revolutie van 1848 in een hun vaak vijandig gezinde omgeving zien te overleven. De strategieën die ze daarbij volgden, verschilden per kerk en per land.

Burleigh is goed thuis in de Duitse, Engelse en Franse geschiedenis van deze periode en de ontwikkelingen in deze landen krijgen dan ook de meeste aandacht. Die ontwikkelingen laten zich door die nationale verschillen moeilijk op één noemer brengen en als Burleigh al een verwijt kan worden gemaakt, is het dat hij zijn verhaal niet rigoureus genoeg stroomlijnt. Dat wordt voor een groot deel goed gemaakt door het elan waarmee hij de stoet heel en half gemankeerde profeten voor het voetlicht brengt die met hun meestal krankjorume hersenspinsels de mensheid naar een stralende toekomst willen voeren, zoals de Franse utopist Fourier die reikhalzend uitkeek naar de dag waarop de oceanen zich met limonade zouden vullen.

In dit nieuwe, rauwe klimaat hadden de katholieken het ’t zwaarst te verduren. Terwijl de protestantse kerk in Duitsland zich als staatskerk moeiteloos en uiteindelijk enthousiast voegde in de door kanselier Bismarck geschapen nationalistische orde, werd de rooms-katholieke kerk door de architect van de eerste Duitse eenheid de oorlog verklaard. Elf jaar lang woedde er een ’Kulturkampf’ (oorlog tussen de culturen) waarin de kerk als de vijfde colonne van het Vaticaan werd vervolgd en katholieken als tweede rangsburgers werden behandeld

In Frankrijk spitste het conflict zich toe op het onderwijs waarin de kerk uiteindelijk het onderspit delfde. In 1905 werd die nederlaag met de formele scheiding van kerk en staat bezegeld.

In deze strijd werd het leven van de Franse en Duitse katholieken er niet makkelijker op gemaakt door de halsstarrigheid waarmee het Vaticaan van Paus Pius IX op bijna alle terreinen bij voorkeur het meest reactionaire standpunt innam. In 1871 werd de paus in geloofszaken ’onfeilbaar’ verklaard en werd het ook voor menig verlicht katholiek moeilijk vol te houden dat er boven het Vaticaan geen machtige obscurantistische wolk hing.

Na de dood van Pius slaagde zijn opvolger Leo XIII er enigszins in zich te revancheren met een opmerkelijk progressieve stellingname in de ’sociale kwestie’: de verpaupering en proletarisering van een groot deel van de bevolking als gevolg van de zich razend snel voltrekkende industrialisatie. Maar de kerk leek niettemin veroordeeld tot een permanente rol in de marge.

Dat veranderde eigenlijk pas met het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. De kerken lieten zich, net als de internationaal georiënteerde socialisten overigens, meeslepen door het nationalisme en werden daardoor medeschuldig aan de oercatastrofe van de 20ste eeuw die 25 jaar later een nog grotere catastrofe zou voortbrengen. Fascisme, nationaal-socialisme en communisme zouden hun kans krijgen om hun totalitaire waanideeën in de praktijk te brengen. Maar dat is de explosieve stof voor het tweede deel dat dit voorjaar verschijnt.

mailIcon print |