*

 

Wat beweegt de terrorist?

Co Welgraven − 03/02/07, 00:00

recensie Het terrorisme de wereld uit krijgen, dat zal niet lukken, maar je kunt het wel aan banden leggen, zegt Louise Richardson. Je moet de achtergronden van terroristen proberen te achterhalen en voorkomen dat je ze in de kaart speelt. En dat laatste is nou precies wat de Amerikanen na 9/11 hebben gedaan. Een nuchtere analyse en een serie handige tips van een gevierd Harvard-wetenschapper.

Het had niet veel gescheeld of Louise Richardson was in plaats van terrorisme-expert zelf terroriste geworden. In de jaren zeventig raakte ze als puber in de ban van de Ira, het Ierse Republikeinse Leger, die een gewapende strijd voerde tegen het Britse leger in Noord-Ierland en die een hereniging van dat overwegende protestantse Noord-Ierland met de katholieke Ierse Republiek wilde.

Toen in januari 1972 dertien ongewapende burgers tijdens een betoging in Londonderry werden doodgeschoten door leden van een Brits parachutistenregiment, was Richardson, die op het Ierse platteland woonde in een katholiek gezin, zo woedend dat ze onmiddellijk lid van de Ira wilde worden. Haar leeftijd vormde echter een obstakel: ze was pas veertien. Haar moeder moest Louise in haar kamer opsluiten om te verhinderen dat ze de zondag erna zou meedoen aan een protestmanifestatie tegen het militaire geweld.

Richardson is nu verbonden aan de befaamde Harvard Universiteit in de Amerikaanse staat Massachusetts en is een gevierd specialist op het gebied van internationale veiligheid. Haar jongste boek, een paar dagen geleden in het Nederlands verschenen, gaat in op de beweegredenen van terroristen en geeft handreikingen hoe het internationale terrorisme kan worden bestreden. Het zal nooit uitgeroeid kunnen worden, zoals president Bush kort na de aanslagen van 11 september 2001 plechtig beloofde – het kan volgens Richardson hooguit beteugeld worden. Maar dat zou al heel wat zijn.

Het uitstekend geschreven boek gaat voornamelijk over 9/11 en de totaal verkeerde reactie van de Amerikanen daarop – althans in de ogen van de auteur -, maar als een rode draad loopt de strijd van de Ira er doorheen. Daarvan valt namelijk bij het tegengaan van terrorisme veel te leren. De Ira heeft laten zien dat je het met weinig middelen een vijand knap lastig kunt maken, ook al beschikt die over een groot militair overwicht. Maar ze heeft haar doel, de hereniging van Noord-Ierland en de Ierse Republiek, niet weten te bereiken. Desondanks is er een vredesakkoord, en dat is óók te danken aan de Britten die na vele missers uiteindelijk toch het goede antwoord op het geweld van de Ira wisten te vinden; de Amerikanen kunnen er hun voordeel mee doen. Al zijn de Ira en Al Kaida met hun verschillende achtergronden, motieven en doelen natuurlijk niet over één kam te scheren.

Richardson wil graag weten wat terroristen drijft. ,,Er is een wijdverbreide visie’’, schrijft ze in de inleiding van het boek, ,,dat wie het terrorisme probeert te begrijpen of te verklaren ermee sympathiseert. Die visie verwerp ik.’’ Je kunt het terrorisme het best beteugelen als je begrijpt wat het aantrekkelijk maakt ,,en dat begrip inzet om een effectief anti-terreurbeleid te bepalen’’.

De auteur haakt aan bij de reactie van het Britse Lagerhuislid Wiliam Ewart Gladstone (later zou hij premier worden) op een aanslag in Londen in 1867. Dat Ierse geweld van die dagen was in zijn ogen het product van Ierse grieven, het was de plicht van het Britse volk iets aan deze grieven te doen. ,,Terwijl anderen bloed wilden zien, probeerde Gladstone uit te vinden waarom Ieren zich ertoe aangezet voelden om geweld tegen Engeland te gebruiken’’, schrijft Richardson. De diehards behielden helaas de overhand, ook als minister-president kreeg Gladstone het niet voor elkaar Ierland te pacificeren. Maar hij ging wel uit van het juiste beginsel: probeer de motieven van de terrorist te achterhalen.

Onwetendheid leidt tot vooroordelen en daar moet Richardson weinig van hebben. Zo maakt ze korte metten met de stelling dat de islam de bron van alle narigheid is: ,,De meeste religieuze tradities hebben terroristen voortgebracht en veel terroristen waren atheïsten, dus de gedachte dat islam en terrorisme onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn is gewoon onjuist.’’

Richardson geeft een uitvoerige classificatie van het terrorisme door de eeuwen heen en concludeert bijvoorbeeld dat Nelson Mandela geen, maar de vroegere Israëlische premier Menachem Begin wél een terrorist kan worden genoemd. De laatste was in de jaren dertig en veertig van de vorige eeuw leider van Irgun, een illegale groepering die aanslagen pleegde op Arabische en Engelse doelen in het latere Israël waarbij ook burgerslachtoffers vielen. Mandela daarentegen bedreef geen terrorisme, maar pleegde sabotage. Het kan met een terrorist trouwens nog heel goed aflopen: Begin werd in de jaren zeventig premier en kreeg samen met de Egyptische president Anwar Sadat, met wie hij een vredesakkoord had gesloten, de Nobelprijs voor de vrede.

Terroristen hebben vrijwel altijd drie motieven, stelt Richardson. Ze willen wraak, zijn uit op roem, en hopen op een reactie van de aangevallen partij. Op 9/11 gingen deze drie motieven volledig op. Vele malen heeft Osama bin Laden gezegd dat de aanslagen een vergelding waren voor de Amerikaanse aanwezigheid in Saoedi-Arabië en de door de Amerikanen gesteunde politiek van Israël. Roem kregen de vliegtuigkapers zeker – ze werden in eigen kring als helden gezien. Door een prijs op het hoofd van Osama bin Laden te zetten, werd zijn status verhoogd ‘tot een niveau waar hij alleen maar van had durven dromen’. En de reactie van de Amerikanen was heftiger dan waarop Al Kaida had mogen hopen. En dat allemaal voor een schijntje: de aanslagen kostten de terreurorganisatie niet meer dan een half miljoen dollar, terwijl de directe schade tientallen miljarden dollaar bedroeg en de oorlog in Irak nog eens een veelvoud daarvan.

De Verenigde Staten speelden Al Kaida volledig in de kaart. Washington verklaarde ‘het terrorisme’ de oorlog, een veel te wijd begrip, aldus Richardson, want zo’n oorlog valt eenvoudigweg niet te winnen. Later werd het de ‘oorlog tegen de terreur’, wat nog schimmiger is. ,,Terreur is, net als angst, een emotie, en de oorlog verklaren aan een emotie is geen succesvolle strategie.’’ De VS hadden het doel wat bescheidener moeten formuleren, bijvoorbeeld de oorlog verklaren aan Al Kaida of aan Afghanistan. Dat was veel helderder geweest, dan had je ook steeds scherp kunnen afbakenen hoe ver je met je tactiek en strategie bent.

De regering-Bush beging een tweede blunder door Irak binnen te vallen. Een afschuwelijke vergissing, noemt Richardson het zelfs. Die kritiek klinkt overbekend., maar de schrijfster weet er vanuit haar analyse van het terrorismeprobleem toch nog een interessante draai aan te geven.

Het boek staat bol van (soms scherpe) kritiek op de aanpak van de VS. Maar anti-Amerikaans is het zeker niet. Richardson, die zich heeft laten naturaliseren, schrijft met een zeker inlevingsvermogen: hoe hebben we zo stom kunnen zijn en hoe halen we ons uit de nesten. Het gaat de laatste tijd trouwens wel wat beter, geeft ze toe, de Verenigde Staten beginnen te leren van hun fouten.

Aan het slot van haar boek geeft de politicologe toch nog maar voor de zekerheid een serie aanbevelingen aan overheden hoe zij met terrorisme moeten omgaan – in feite is het een lijstje missers van de Amerikanen en hoe die voortaan te voorkomen. Zorg dat je een haalbaar doel hebt, oefen dwang uit op de echte geweldplegers en zet tegelijkertijd een beleid van verzoening op jegens hun achterban, het grote publiek; scheid de terroristen van hun gemeenschap, houd je aan je eigen democratische principes (dus geen Guantánamo), ken je vijand, betrek anderen (bijvoorbeeld de internationale gemeenschap) bij de strijd tegen terroristen, en wees geduldig en houd de verhoudingen in het oog. Het land dat deze regels in acht neemt, zal het terrorisme niet weten uit te roeien, maar wel kunnen beteugelen.

Terrorisme is er altijd geweest en zal er ook altijd zijn, betoogt Richardson. Niet de aanslagen van 9/11 veranderden de wereld, maar de Amerikaanse reactie daarop. Het was gruwelijk wat er toen gebeurde (drieduizend doden), maar we moeten het wel in verhouding blijven zien. ,,De kans dat terroristen net zoveel Amerikanen zullen doden als dronken bestuurders elk jaar doen, is gering.’’ Dat zijn er in de VS achttienduizend.

Richardson schat het risico dat terroristen biologische, chemische of misschien wel nucleaire wapens gaan inzetten, niet erg hoog in. Want daarvoor heb je veel geld en vooral veel kennis nodig, en een geolied apparaat. En daar ontbreekt het Al Kaida aan. Dat is niet die centraal geleide organisatie waarvoor ze vaak versleten wordt. En de organisatie is behoorlijk verzwakt door het optreden van de Amerikanen in Afghanistan – dat was wél een redelijk succes.

mailIcon print |