recensie Ook Duitsers breken zich het hoofd over het Westen en de islam. Meer dan andere Europeanen zoeken ze de verklaring van radicalisering in het ’morele vacuüm’, waarmee het Westen worstelt. Zo blijkt uit twee recent verschenen Duitse romans, waarin Amerika er niet best van af komt.
Twee Duitsers verlaten hun Heimat om hun leven een nieuwe invulling te geven. De ene vliegt naar New York om onderzoek naar een Joodse emigrant te doen, en verliest precies één jaar na 9/11 zijn vrouw. De andere bekeert zich tot de islam en vertrekt naar Egypte om daar een aanslag op de tempel in Luxor te plegen. De Duitse romanciers Hettche en Peters zijn kennelijk ook door het terrorisme-virus aangestoken, dat de westerse letteren al enige jaren teistert.
,,Wat mij fascineert, is de gedachte dat iets geestelijks zo’n kracht kan hebben, dat iemand ervoor bereid is zijn leven op te offeren – en er wellicht ook voor te doden” aldus Christoph Peters (1966, Niederrhein), ,,Wij hebben totaal geen idee wat we zouden moeten geloven. We hebben weliswaar over alles een mening, maar geen hóuding’. In zijn roman ’Ein Zimmer im Haus des Krieges’ geeft hij een Duitse nietsnut een nieuw doel om voor te leven: Allah.
We schrijven 1993. Jochen Sawatzky, een werkloze drugsverslaafde, is dolblij dat hij eindelijk meer is dan een afvalproduct van een decadente westerse samenleving. Via een Egyptische geliefde sluit hij zich aan bij een radicale islamitische sekte, die zich opmaakt om in Egypte toeristen om te brengen. De aanslag wordt echter verijdeld, en Jochen, die zich nu Abdallah noemt, belandt in de gevangenis. De Egyptische overheid veroordeelt hem ter dood.
Op dat moment stapt de Duitse ambassadeur Claus Cismar het verhaal binnen. Cismar, die zich verplicht voelt iets voor zijn gedupeerde landgenoot te doen heeft nog meegelopen met pro-Raf-demonstraties. Maar in de loop van zijn carrière heeft hij zijn idealen verloren. Deze gedesillusioneerde beroepsdiplomaat, een wandelend compromis, wordt nu geconfronteerd met een jongen die voor zijn geloof wilde sterven (en doden).
Wie van de twee wint? Abdallah wordt geëxecuteerd. Maar hij trekt tóch aan het langste eind, vindt de schrijver. Cismar verliest daarentegen op alle fronten. Hij heeft zijn diplomatieke opdracht (Abdallah te redden) verzaakt en beschouwt nu zelf ook de ’terroristische gesel’ als een metafysische straf voor het geseculariseerde en decadente Westen.
En dat is gek. Hoe invoelend Peters het levensverhaal van een homegrown terrorist ook beschrijft, deze capitulatie van het westerse gedachtegoed voor de kracht van een uitheems geloof, doet toch wat simplistisch aan. Volgens Peters is er sprake van een moreel vacuüm en zoeken veel Duitsers naar een nieuw referentiekader, jenseits van lauwe burgernormen. Maar wat biedt hij hier aan? Rücksichtslose vroomheid, anti-Amerikanisme en zelfhaat? Peters zelf houdt het erop dat hij geen oordeel wilde uitspreken, maar de functie en de kracht van geloof wilde uitbeelden.
De hoofdpersoon in Thomas Hettche’s (1964, Giessen) ’Woraus wir gemacht sind’, de biograaf Niklas Kalf, is eveneens op zoek naar een levensinvulling. Ook hij vindt die niet in Duitsland. Kalf, een bleke, hulpeloze man, heeft weinig fantasie en schrijft liever biografieën dan pure fictie. Hij werkt aan een levensbeschrijving van de Eugen Meerkaz, een joodse emigrant naar de VS, en is uitgenodigd om een lezing in New York te geven. Tijdens de herdenking van 9/11 wordt Kalfs vrouw ontvoerd.
Vreemd genoeg reageert Kalf nauwelijks op dat drama: hij gaat gewoon door met zijn gewoonlijke activiteiten. Hij houdt een lezing, gaat op reis, en neemt de tijd voor allerlei filosofische bespiegelingen.
In eerste instantie klinkt dat nogal ongeloofwaardig. Maar als we onze irritatie daarover even opschorten, ontvouwt zich een interessant panorama dat doet denken aan de films van Quinten Tarantino. Zelfs de duivel komt voorbij, in de gedaante van filmster Robert Duval. In de uitgestrekte vlakten van Texas is alles mogelijk en verliest alles zijn betekenis: ’zelfs Auschwitz had hier niets betekend’.
In eerste instantie zoekt Niklas dus nog vagelijk naar zijn ontvoerde vrouw, maar in tweede instantie raakt hij steeds meer geobsedeerd door zijn eigen afkomst en achtergrond. En al vindt hij aanvankelijk antwoorden in de mythen en legenden van Hollywood, Amerika komt er net zo slecht van af als bij Peters. Het is een rijk in verval; met president Bush in de rol van Cassandra.
Kalf is gefascineerd door de ’nieuwe wereld’ en haar slagvaardigheid. De titel van de roman is er zelfs aan ontleend: ’They didn’t understand America. They didn’t understand our fiber. [..]. They don’t know what we’re made out of – at least, they didn’t. Now they do’, Aldus Bush in maart 2002 in een rede aan de natie: de vijanden van Amerika kenden de veerkracht van de Amerika nog niet, nu hebben ze het leren kennen. Maar Kalf heeft een ander antwoord: we zijn ’niets dan een ademtocht’. Overwint dan toch het cynisme van de ’oude wereld’? De duivel knikt bevestigend: ’Het schemergebied van de waarheid. Dat is typisch Europees.”
Voor beide romans valt iets te zeggen: het zijn interessante Duitse zelfstudies die het provinciale overstijgen, het uitgangspunt is in beide gevallen fascinerend, de stijl is aantrekkelijk barok. Niettemin ontsporen beide romans halverwege in overtrokken en niet overtuigende plotwendingen. Dat maakt ze niet minder boeiend, maar het maakt het de lezer wel lastiger door het verhaal meegesleept te worden of zich met de hoofdpersonen te identificeren.
Opmerkelijk aan beide boeken is verder de zware symboliek en de vrijwel volledige afwezigheid van humor. Eigenaardig, want Sawatzky als Kalf zijn beiden anti-helden die in de exotische omgeving van Egypte en Texas bepaald komisch aandoen. Sawatzky ziet zijn moeder voor zich, ’ambtenaar im mittleren Dienst’ terwijl hij de aanslag voorbereidt, en is blij dat hij Noordrijn-Westfalen ’eindelijk is ontvlucht’. Kalf verandert van burgermannetje in actieheld, die al zuipend door de Texaanse wildernis trekt en en passant papieren ontdekt voor een in het geheim te bouwen raket . Dat lijk minder op Tarantino’s ’pulp fiction’, dan op een nieuwe versie van dr. Strangelove.
Toch zijn de scènes duidelijk niet bedoeld om te lachen, elke spoor van ironie ontbreekt. Het gaat de schrijvers immers om de filosofie erachter; en zoeken naar zin is altijd al een uitermate serieuze aangelegenheid geweest in de Duitse literatuur. Maar al gunt de auteur Kalf een happy end, de levenswijsheid die hij debiteert als hij zijn vrouw (met baby) terugkrijgt, klinkt nogal banaal: ,,Een hemel is er niet, en wij hebben alleen elkaar.’
Dan is het religieuze fundamentalisme van Peters substantiëler. Maar als referentiekader voor het ’morele vacuüm’ overtuigt dit boek evenmin.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.