*

 

Hannibal houdt van haiku’s

Pieter Groet − 03/02/07, 00:00

recensie

Thomas Harris heeft met Hannibal Lecter (Hannibal the cannibal) het ultieme monster gecreëerd. Mede dankzij de verfilming met Anthony Hopkins (’Silence of the Lambs’, ’Red Dragon’ en ’Hannibal’) weet de hele wereld hoe het kwaad eruit ziet: een man in smoking die zorgvuldig de hersens aansnijdt van een nog levend slachtoffer aan een schitterend gedekte tafel.

De aantrekkingskracht schuilt voor een belangrijk deel in de wijze waarop hij opperste beschaving en bloeddorstigheid in één karakter heeft verenigd. Hannibal is juist daarom je ergste nachtmerrie.

Het succes heeft Harris in de verleiding gebracht zijn schepping uit te benen als een literaire kannibaal. Daarbij schrijft hij in een omgekeerde volgorde. In het nieuwste boek plaatst hij zich voor een lastige opgave: de lezer ervan overtuigen hoe Hannibal zo’n monster heeft kunnen worden.

Natuurlijk blijkt er sprake van een jeugdtrauma, maar dan wel een in de stijl van Harris. In de chaos van de laatste oorlogswinter wordt zijn familie in Litouwen prooi van beestachtige plunderaars. Hannibal is de weerloze getuige die het fysiek net overleeft.

Wraak wordt het enige levensdoel van de jonge Hannibal. Daarin toont hij zich de meester van de gruwel - voor de details verwijs ik graag naar het boek. En als het na jaren vervuld is, blijkt zijn ziel dood: ,,Je wordt het duister ingetrokken”, zegt zijn Japanse pleegmoeder, tevens zijn onvervulde liefde.

De verhaallijn is dun en veel details zijn vertrouwd onsmakelijk, maar toch zuigt Harris je weer knap de wereld van Hannibal in. Opnieuw schakelt hij tussen wreedheid en schoonheid - met zijn pleegmoeder wissel hij haiku’s uit.

Harris schetst met schijnbaar gemak het laatste oorlogsjaar aan het Oostfront en het naoorlogse Parijs. Het grootste bezwaar tegen dit boek is dat het al snel spanning verliest. De lezer weet dat er een monster gebaard moet worden en weet eigenlijk ook al snel waarom.

mailIcon print |