recensie
Zowel André van Duin en de circusclown als het reisbureau en legio boeken en films vinden een voorloper in de gespeelde gek uit de zestiende eeuw.
Ook de toenmalige zot bood velen de kans even te ontsnappen aan de sores van het dagelijks bestaan. Wel reikte zijn betekenis verder en dieper, zet de literair historicus Herman Pleij in een even geleerd als bevattelijk essay uiteen.
In kerkelijke en wereldlijke vertoningen wisten narren al wat het aardse bestaan bedreigde, te ridiculiseren. Hun publiek kon daardoor zijn angst voor duivels, dood en honger althans tijdelijk bezweren.
De lach die zotten teweegbrachten, gold als medicijn tegen melancholie. En door het tegendeel van geciviliseerd gedrag redeloos en smerig uit te vergroten, dienden ze bovendien het beschavingsideaal van stedelijke elites. Die te kijk zetten mochten de narren ook – al konden de slachtoffers zich altijd vrijpleiten met een verwijzing naar de idiotie van de criticus.
In kort bestek en toch in geuren en kleuren schetst Pleij hoe de zot en de zotheid hun therapeutische en kritische rollen vervulden. Hun glorietijd was de eeuw die de hoogste wijsheid kon putten uit de dwaasheid van ‘Das Narrenschiff’ van Sebastian Brant (1494) en Erasmus’ ‘Lof der zotheid’ (1509) .
Latere generaties verbanden de gespeelde gek naar de marge van de carnavalslol en de echte naar het beschermde domein van wat Pleij ‘geestelijk gehandicapten’ noemt en nog fijngevoeliger naturen ‘mensen met een psychische handicap’.
Maar het was vooral de teloorgang van een algemeen geldend wereldbeeld, meent Pleij, die de nar onttroonde. Zestiende-eeuwers hadden nog een en dezelfde wereld gemeen, die zich door een gek op haar kop liet zetten. Toen een gevarieerde wereldbeschouwing troef werd, verloor deze kunstgreep zijn brede toepasselijkheid.
Vooral in deze week valt te betreuren dat ook de boekennar met zijn lessenaar en grote bril ons is ontvallen. Hij symboliseerde het waanidee dat alle wijsheid uit boeken komt.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.