recensie Het marxisme verliet hij, nu verkent hij in een dik boek het almachtsdenken in het christendom. Een gesprek met boer, dijkgraaf en filosoof Sybe Schaap. „Persoonlijke zingeving vind ik bijzaak.”
Het avonturiersbloed heeft hij van zijn vader, zegt Sybe Schaap. Vader was een van de eerste boeren in de Noordoostpolder. Hijzelf is dijkgraaf, voorzitter van de Unie van Waterschappen, (voormalig) eigenaar van een reeks agrarische en onroerend-goed-bedrijven in Oost-Europa én filosofiedocent in Amsterdam en Praag. Hij schreef een lijvig filosofisch boek: ’Afscheid van de Almachtige’.
Filosofie neemt een relatief klein deel van zijn tijd in beslag, vertelt Sybe Schaap (60). Sinds hij voorzitter van de Unie van Waterschappen is, heeft hij zelfs zijn colleges aan de Praagse Karel Universiteit moeten opschorten. Zijn vrouw regelt de zakelijke dingen in Oost-Europa. Hijzelf is vooral met het water bezig. Maar dat kleine deel van zijn tijd dat overblijft voor colleges aan de Vrije Universiteit en voor het schrijven van filosofische boeken – hij zou het voor geen goud willen missen.
„Ik wil iets praktisch doen én nadenken. Dat is van jongsaf zo geweest. Toen mijn vader vrij jong overleed heb ik anderhalf jaar de boerderij gerund, maar uiteindelijk wilde geen van de zes kinderen de zaak overnemen, dus toen hebben we de boel verkocht. Daarna ben ik naar de VU gegaan om theoretische sociologie en filosofie te studeren.”
Sindsdien heeft hij altijd iets praktisch omhanden gehouden. De banden met de voorlopig gestaakte pootaardappelteelt in de Oekraïne zijn nog altijd niet definitief doorgesneden, want ’het avontuur lonkt’.
En als hij nog eens zou moeten kiezen tussen de filosofie en de wereld van het water of de landbouw?
Hij hoeft er maar even over na te denken.
„Dan wordt het toch filosofie.”
Schaap voelt zich verwant met Nietzsche. „Met hem kan ik van alle filosofen het verst meegaan.” Maar, om misverstanden te voorkomen: „Ik ben geen atheïst. Ik hou niet van dat negatieve.”
Nietzsche wordt nog altijd verkeerd begrepen, zegt Schaap. Vooral zijn opmerking ‘God is dood’ is heel anders geïnterpreteerd dan Nietzsche bedoelde. In zijn tweede proefschrift, dat Schaap schreef aan de Karel Universiteit van Praag, heeft hij gepleit voor eerherstel voor Friedrich Nietzsche: ’Het onvermogen te vergeten’.
Nietzsche heeft Schaap geholpen inzicht te krijgen in een fenomeen dat hem al sinds het begin van de jaren zeventig mateloos intrigeert, maar waar hij tegelijk ook sterke bedenkingen tegen heeft: de grote ideologieën, met name tegen het (neo)marxisme. In zijn nieuwste boek over almacht spelen zowel Nietzsche als het marxisme opnieuw een belangrijke rol.
„Toen ik begin jaren zeventig studeerde, was het neomarxisme geweldig in opkomst. Het was verleidelijk erin mee te gaan. De beweging trok me en fascineerde me, maar door me erin te verdiepen heb ik er afstand van genomen.” Schaap promoveerde aan de VU op een studie naar Theodor Adorno, een van de voormannen van de Frankfurter Schule, de Duitse neomarxistische beweging.
„Het marxisme lijkt een heilsleer die het goede met de mens voorheeft: we gaan de onderdrukking afschaffen en dan komt er een heilsstaat. Van die utopische staat hebben we nooit veel gezien, maar van de afrekening met het kwaad en de tegenstanders des te meer. Het marxisme kent een enorme vergeldingsdrang tegen willekeurige groepen. In de eerste plaats natuurlijk de kapitalisten, maar Marx noemt ook de Tsjechen en de Kroaten. Iedereen kan aan de beurt komen.”
„Heil en vergelding hangen met elkaar samen: je moet met het oude afrekenen om de nieuwe wereld binnen te gaan. Daar zie je een parallel met de christelijke leer. Met dit verschil: Marx laat het afrekenen niet aan God over. Marxistische revoluties zijn altijd bloedbaden geworden. Er is afgerekend, maar de heilsstaat is er nooit gekomen.”
De werken van Nietzsche hielpen Schaap om een vinger te krijgen achter de drijfveren van het (neo)marxisme. „De mens ketent zich aan het onheil dat hem in het verleden is overkomen; dat belet hem zich op de toekomst te richten. Een mens kan heel veel kwaad verdragen en snel weer vergeten zolang daar niet een duidelijk aanwijsbaar iemand achter zit. Maar wat de mens slechts met veel moeite kan vergeven en vergeten is het kwaad waarachter je iemand kunt aanwijzen. Dat maakt de mens rancuneus. De ander wordt als dader van het kwaad gezien. En die dader ketent je, je komt niet meer los van hem. Van dat ressentiment heeft het marxisme een ideologie gemaakt.”
In zijn nieuwste boek analyseert Schaap dat niet alleen het marxisme en andere totalitaire regimes zoals het nazisme gegrond zijn op vergeldingsdrang, maar dat ook in het christendom daarvan duidelijke sporen te vinden zijn. „Hoe vergevingsgezind God ook is, op de jongste dag komt de vergelding.” Hij betreurt het dat het christelijk geloof die invulling heeft gekregen. „Mensen projecteren hun eigen verlangen op God. En zo kunnen ook in de religie gerechtigheid en vergelding dominant worden. Natuurlijk, er is strafrecht nodig, maar de straf voor de ander lost jouw probleem niet op. Straf is om het evenwicht te herstellen, niet om wraak te nemen. Want het wraakgevoel is niet verzadigbaar. In Amerika zijn er executies van gestraften waar de familie van het slachtoffer bij mogen zijn. Dat lost niets op. En worden slachtoffers van het naziregime beter van een financiële compensatie?”
In het Oude Testament vindt volgens Schaap een breuk plaats, ergens tussen het scheppingsverhaal en de geschiedenis van Abraham. De verhouding tussen God en mens verandert. „In het scheppingsverhaal wandelt God met mensen, er is een soort gelijkheid in de relatie, ook na de zondeval nog.”
Sinds Abraham gaat de mens op zoek naar de betere wereld, maar hij betwijfelt of die er wel ooit zal komen. En dan, zegt Schaap, bedenkt de mens dat een volmaakte wereld mogelijk is als er almacht is, een absolute macht om te herstellen wat fout is. „En zo is, ongeveer met Abraham, de almacht de wereld ingekomen.”
„Waarom willen we toch in een volmaakt ’beloofd land’, een volkomen goed hiernamaals geloven?” vraagt Schaap zich bijna vertwijfeld af.
Het goede bestaat alleen bij de gratie van het contrast met het kwaad, dus een ’volkomen goede’ wereld ervaart een mens niet als ’goed’, maar als een dynamiekloze staat van zijn. In het religieuze verlangen naar een volmaakte wereld laat de godsdienst „een daad van de mens zien, waarin je iets al te menselijks kunt herkennen”, zegt Schaap.
Maar, voegt hij eraan toe, dit is slechts de helft van het verhaal. „God is veel meer dan projectie. De mens projecteert weliswaar zijn eigen gevoelens en verlangens op God, maar krijgt daar ook wat voor terug. Godsdienst ordent de samenleving en geeft het leven richting. En dáárin ligt de waarde van de godsdienst: in het hier en nu, niet in de volmaaktheid na dit leven.”
Dat het perspectief van de religie van het aardse leven naar het hiernamaals is verschoven, noemt Schaap ’zedelijk atheïsme’ – opnieuw niet te verwarren met ongeloof. „Godsdienst verliest zijn richtinggevende karakter als we de bestaande samenleving niet meer als op zichzelf zinvol zien, als we ons heil daarbuiten zoeken en in hemelbeelden gaan geloven. Het samenleven en de ethische zin van de godsdienst verliezen dan hun waarde.”
De gerichtheid op het hiernamaals moet plaats maken, vindt Schaap, voor een grotere betrokkenheid van de religie op de bestaande samenleving. „Persoonlijke zingeving vind ik bijzaak. Samenlevingszin, daar moet het in het christendom om draaien: hebt uw naaste lief als uzelf. Godsdienst hoor je tegenwoordig te zien als een privézaak, maar het is juist een zaak van mensen samen. Het samenleven moet zin en richting krijgen. De uitdaging voor de kerken ligt in deze publieke verantwoordelijkheid. En dan doel ik niet op voedselbanken, maar op een geordende samenleving. Wat dat betreft voel ik me verwant met de maatschappijvisie van oude AR en de traditionele katholieke leer: de kerk heeft een publieke taak. Projecteer het levensgeluk niet op het hiernamaals, maar bedenk hoe je déze wereld wilt ordenen. Over de invulling van die ordening worden we het natuurlijk niet eens, maar dat levert zinvolle discussies op.”
Schaap wijst op Martin Luther King, die zijn volgelingen niet verwees naar het volmaakte dat het op het lijden zou volgen, maar op de bestaande Amerikaanse grondwet. Hij zocht gelijkberechtiging – een kernbestanddeel van de christelijke leer. „Je moet binnen deze wereld proberen iets te veranderen.”
In zijn boek signaleert Schaap dat het almachtsdenken zijn langste tijd lijkt te hebben gehad: de heilsstaat-ideologieën hebben gefaald en onder christenen is het idee van een albesturende, almachtige God tanende. Wat er voor in de plaats komt, ziet hij nog niet, maar Schaap hoopt „dat de almachtige God en de almachtige mens uit beeld blijven”. Hij hoopt dat het christelijke adagium ’hebt uw naaste lief’ de kern zal zijn van het christelijk denken en handelen. „Het samen-leven moet vooropstaan, niet het eigen heil – hier of later.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.