*

 

Truien, koffie en moederliefde

Leonie Breebaart − 22/09/07, 00:00

recensie De Engelsman Jonathan Coe staat bekend om zijn politieke romans. Stakingen, terrorisme: de hele boze buitenwereld trekt er in voorbij. Maar zijn nieuwste roman is van een heel ander slag. Er komt praktisch geen man of bom in voor. In plaats daarvan lezen we over moeders en dochters, over lesbiennes, over truien, koffie en keukens. Bespot Coe de veelbediscussieerde ’vrouwenroman’? Of meent hij het toch serieus?

Sla de nieuwe Jonathan Coe open en je stapt in een warm bad. Vertelster Gill, een al wat oudere vrouw, is aan het werk in de tuin en veegt ’bladeren op koperkleurige hopen’. Buiten wordt het al kouder, maar binnen is het ’behaaglijk warm’. Gill ’huivert’ en denkt aan haar twee volwassen dochters, die in het verre, gevaarlijke Londen wonen. Zelf voelt ze zich in de grote stad altijd maar ’een provinciaaltje’.

Een aardige, geruststellende vrouw, die Gill. In een boek van Marianne Frederikkson zou ze niet misstaan. Maar dat ze opduikt in een roman van Jonathan Coe is wel verbazend. Niet alleen is deze auteur onmiskenbaar een man, als romancier heeft hij ook altijd blijk gegeven van een meer dan gebruikelijke interesse in wereldse onderwerpen: politieke debatten, nieuwe popmuziek, oorlogsdreiging. Traditionele mannendingen, zeg maar. Zijn grote succes ’Het huis van de slaap’ (1994) is een satire op het Engeland onder Thatcher, in ’De Rotters Club’ (2001) blikt hij terug op de geëngageerde jaren zeventig en in ’De gesloten kring’ (2004) vormen de oorlogen in Afghanistan en Irak het decor waartegen de – meest mannelijke – personages zich bewegen.

Maar in ’De regen voor hij valt’ ontbreken zulke ’mannenonderwerpen’ nu juist totaal. Veelzeggend is deze opmerking van Gill, tijdens een bezoek aan Londen: „ (...) zelfs de eeuwige politiesirenes klonken ver weg, onbeduidend, als oorlogsgeruchten uit een land waarvan je wist dat je er nooit zou komen.’’

Coe zal niet weten dat onlangs in Nederland nog een fel debat woedde over de vraag of vrouwen niet te vaak brave boekjes produceren over ’onbelangrijke’ onderwerpen. (zie kader) . Maar hij zal wél vernomen hebben dat het ’vrouwenboek’ een revival doormaakt. Ontspannende lectuur voor vrouwen was er natuurlijk altijd al, maar nieuw is dat slimme marketingdeskundigen nu ook het beleid van tamelijk respectabele uitgeverijen bepalen. En aangezien oudere vrouwen de meeste boeken kopen, wordt de markt overspoeld met producten waarvan de uitgever denkt dat ze aan deze machtige doelgroep zullen appelleren. Dat stadse critici voor zulke mutserige producten hun neus ophalen, zal deze uitgever nieuwe stijl – vaak een vrouw trouwens – een zorg zijn.

Hengelt Coe nu ook al naar deze machtige groep lezeressen, parodieert hij de vrouwenroman, of moeten we zijn boek zien als een schuldbekentenis, een verlaat eerbetoon aan de wereld van de andere sekse? Feit is dat in het hele verhaal nauwelijks een man voorkomt. De roman is opgezet als vrouwenkroniek – een veel beoefend genre.

Al meteen aan het begin van de roman krijgt Gill slecht bericht. Haar tante, de bejaarde, kinderloze Rosamond, is overleden en Gill moet nu haar huis opruimen. Ze stuit daarbij op een pak cassettes, die bestemd zijn voor een ver familielid, ene Imogen, van wie al jaren niets vernomen is. Op Gill rust de taak rust om deze Imogen op te sporen. Maar die zoektocht geeft ze al snel op, onder druk gezet door haar gretige dochters, die héél benieuwd zijn naar nimmer onthulde familiegeheimen. En zo luisteren Gill en haar twee dochters de bandjes af, die niet voor hun oren bestemd zijn.

Op dat moment geeft Coe het woord aan Rosamond: haar herinneringen vormen het leeuwendeel van het boek. Nog een vrouwelijke vertelster dus, en bovendien één die zich weer richt tot een jonge vrouw: Imogen. En om de gezelligheid compleet te maken, hangt Rosamond het verhaal op aan een aantal familiekiekjes: van haarzelf, maar ook van Imogens grootmoeder en moeder. De reden is overigens cru genoeg: Imogen is blind – hoe dat komt wordt pas veel later onthuld – en kan die foto’s zelf dus nooit zelf zien.

Het fotoalbum biedt Coe, meester van de generatieroman, natuurlijk een uitgelezen kans om de Engelse geschiedenis opnieuw de revue te laten passeren. Maar dan nu vanuit een heel ander perspectief: dat van het huis, de tuin en de keuken.

En het moet gezegd: daarin slaagt hij glansrijk. Een foto van een veel te benauwd keukentje, gebarricadeerd door een loeigrote kinderwagen, roept het hele beknelde huisvrouwenbestaan van de jaren vijftig in herinnering. Een kiekje van het huis waar Rosamond tijdens de oorlog woonde, herinnert haar aan de evacuatie van haar vriendinnetje uit het onveilige Londen. Wat dat meisje op het platteland is overkomen, komt Rosamond nooit te weten, maar als ze terugkeert is ze wel ’heel erg gaan stotteren’. Achter zo’n zinnetje gaat het hele drama van de Engelse oorlogsevacuees schuil.

Vrouwengeschiedenis dus, maar geen mutserige. Ondanks de plagerige verwijzingen naar het vrouwenboek, weet Coe je al snel een hartverscheurende familiegeschiedenis binnen te loodsen. Het is alsof hij de lezeressen van Marianne Frederikkson via Gill naar binnen heeft willen lokken, om hen vervolgens naar existentiële diepten te trekken, naar de zaken waar het in een (vrouwen) leven werkelijk om draait. Je zou zelfs kunnen stellen dat Coe vrouwenlevens veel serieuzer neemt dan vrouwen dit zelf soms doen.

De tragedie begint in de oorlog, als ook Rosamond, dan nog een meisje, het door bommen bedreigde Londen moet verlaten en ondergebracht wordt bij haar tante Ivy op het platteland. Dat lijkt aanvankelijk geen ramp. Tante Ivy ruikt lekker, en haar stem klinkt ’alsof je een dikke deken om je heen geslagen krijgt.’ Bovendien heeft ze een dochter, Beatrix, met wie Rosamond kan spelen.

Maar al snel blijkt dat tante uitsluitend belang stelt in haar zoons, ’sterke sportieve jongens waar geen greintje kwaad bij zat, maar ze hadden niet bepaald het buskruit uitgevonden’. Dochter Beatrix laat haar volkomen koud – haar logeetje evenzeer. De enige die nog wat warmte uitstraalt is de kokkin, een ‘schat van een mens’. En het enige dat Rosamond nog aan vroeger herinnert, is haar ’trouwe dikke bruine wollen trui’, die haar moeder voor haar heeft gebreid.

In deze kille omgeving zijn de meisjes tot elkaar veroordeeld. En dat heeft verreikende gevolgen. Op een nacht lopen ze weg, en hoewel ze al snel gevonden worden, heeft Rosamond wel een paar uur in het donkere bos tegen Beatrix warme lijf aangelegen. Die erotische ervaring heeft tot gevolg dat ze intimiteit altijd bij vrouwen zal blijven zoeken.

Zo’n scène, hoe gevoelig ook, moet Coe ook polemisch hebben bedoeld. Om het intiemste samenzijn tussen meisjes te beschrijven, suggereert hij, hoef je echt niet over een vagina te beschikken. De gedachte dat alleen vrouwen begrijpen wat vrouwen bezighoudt – een mening die ook in Nederland in alle ernst verkondigd wordt – berust op een misverstand. En vooral: op onderschatting van de literaire verbeelding.

Een ander, maar veel dieper geworteld vrouwenverhaal waar Coe op varieert is dat van het verwaarloosde meisje, van Jane Eyre, of nog ouder: van Assepoester. Maar Assepoester wordt tenminste nog gekleineerd door haar boze stiefmoeder: bij Coe zijn de échte moeders de feeksen. En dat is veel erger. Ivy verwaarloost Beatrix, Beatrix verwaarloost haar dochter Thea en Thea op haar beurt verwaarloost haar dochter Imogen. En dat gaat er niet zachtzinnig aan toe. Als Beatrix haar dochter bij wijze van hoge uitzondering een nieuwe, dure blouse heeft gegeven, en haar tienerdochter die bemorst met bessensap krijst ze: ,,Je hebt hem verpest! Jij verpest altijd alles! Alles!”” Het is een afschuwelijke, hysterische scène, maar overtuigen doet hij wel.

Rosamond, zelf juist géén moeder, vangt al deze verwaarloosde meisjes op waar en wanneer ze kan, in een poging de rampzalige vrouwenkroniek ten goede te keren. Zíj is uiteindelijk, overtuigender dan Gill, een échte moederfiguur: moedig, volhardend, liefdevol. Maar dat brengt haar ook opvallend dichtbij een andere clichéfiguur: de prins op het witte paard, of, om binnen haar sekse te blijven, de petemoei, die als bij toverslag zorgt dat alles goed komt. Zodat Assepoester alsnog het thuis vindt, dat ze zozeer verdient.

Maar die uitweg biedt Jonathan Coe ons niet. Rosamond zélf helpt ons uit de droom. Ze weet wel dat ze graag een prins, petemoei of Barbara Cartland zou willen zijn. Maar ze is het niet: „Ik zag mezelf als een geheimzinnige weldoenster, die achter de schermen aan allerlei touwtjes trok om te bekokstoven dat iedereen elkaar in de armen zou vallen en alles vergeven en vergeten zou zijn.’’ Ook van Rosamond zijn dus geen wonderen te verwachten. Dat zou, na zoveel speelse en ernstige variaties op het Assepoesterthema, ook een al te braaf slotakkoord zijn.

Maar één conclusie kunnen we, lijkt het, gerust trekken: ook met de ingrediënten van een tuttige kasteelroman – fotoalbums, familiegeheimen – valt literatuur te brouwen. Dus wat zeuren vrouwen nog? Ze hoeven hun romans niet vol te proppen met terroristen, harde seks, en synthetische rock. Ze kunnen ook, mochten ze dat willen, uitweiden over warme wollen truien, gemene moeders, pruttelende koffie en dwarsfluitmuziek. Ook dát kan, bewijst Coe, romans opleveren die critici en juryleden zullen bekoren.

Hoewel? Waarom durven mannelijke auteurs zo zelden over vrouwendingen uit te weiden? Terwijl er – anders dan soms beweerd wordt – genoeg romancières zijn die ’mannenonderwerpen’ aansnijden? Zou dat niet komen doordat aan de hobby’s van het sterke geslacht nog steeds meer belang wordt gehecht?

mailIcon print |