*

 

Brutale beo’s en roodharige chirurgie

Marinus de Baar − 22/09/07, 00:00

recensie Jacob Bontius, VOC-arts met interesse voor de inheemse geneeskunde, wordt terecht vermeld in een Engelstalig boek over de Nederlandse rol in de wetenschappelijke revolutie van de 17de eeuw.

Vijftien jaar geleden logeerde ik op een plantage in het oosten van Java. Een beo (sprekende vogel) zorgde voor enig vermaak onder de Nederlandse gasten: hij groette iedereen met een beleefd ’salam aleikum’, maar pogingen om hem ’leve de koningin’ te laten zeggen liepen op niets uit.

Beo’s kunnen ook behoorlijk onbeschoft zijn. Jacob Bontius, die als compagnie-arts van de VOC rond 1628 in Batavia verbleef, slaagde er na veel aandringen in om de beo van een Javaanse buurvrouw over te nemen. Niet echt tot zijn genoegen zoals bleek, want de beo schold hem uit voor ’christenhond’ en ’varkenseter’.

Bontius was wel erger overkomen: op de lange zeereis naar Batavia stierf zijn vrouw, zijn tweede vrouw die hij drie maanden na aankomst trouwde overleed drie jaar nadien, hij verloor zijn oudste zoon aan ’kinderpoxkens’, doorstond twee maal een belegering van Batavia, en werd getroffen door zware koortsen, dysenterie en beriberi. In 1631 stierf hij, niet ouder dan dertig jaar. Maar in de korte tijd dat Bontius op Java verbleef, kreeg hij bewondering voor de inheemse heelkunde en kennis van geneeskrachtige kruiden, ontwikkelde hij waardering voor Javaanse omgangsvormen (brutale beo’s ten spijt), en publiceerde hij een drietal werken over tropische geneeskunde.

Wat in die verhandelingen opvalt, is zijn benadrukking van observatie en beschrijving. En als zodanig verdient Bontius een plaats in Harold Cook’s ’Matters of Exchange’ (het ’exchange’ slaat op de uitwisseling van goederen en kennis) omdat daarin wordt betoogd dat de Hollandse handelsgeest, in combinatie met een uitgestrekt koloniaal rijk en met een door welbegrepen eigenbelang ingegeven belangstelling voor nuttige kennis van de natuur, heeft geleid tot een empirische en ’materialistische’ (in plaats van metafysische) benadering van de natuur.

In deze vereniging van commercie, geneeskunst en wetenschap ontwikkelde zich een zakelijke zienswijze en op de praktijk gerichte werkwijze die een belangrijke Nederlandse bijdrage was aan de ’wetenschappelijke revolutie van de zeventiende eeuw’ (die eenzelfde omslag van het metafysische naar het empirische liet zien). Buitengewoon boeiend dus, alhoewel het een beetje de vraag is of die empirische instelling het resultaat was van onze zeventiende-eeuwse commercialiteit (wat Cook meent) of dat die dieper aanwezig was in de nuchtere volksaard van de Nederlanders.

Cook is buitengewoon goed bekend met de secundaire literatuur. Hij heeft, naast andere verplichtingen, twintig jaar aan dit boek gewerkt en zelfs Nederlands geleerd. ’Matters of Exchange’ is dan ook een erudiet boek. En dat is tegelijk ook een probleem met dit werk: Cook wordt gehinderd door een teveel aan kennis die hij allemaal kwijt wil, waardoor hij omstandig wordt in zijn stofbehandeling. Hij veroorlooft zich uitweidingen over de eerste ananas die in Europa tot bloei werd gebracht (in de tuin van Agnes Block in Loenen aan de Vecht), en over ’roodharige chirurgie’: de letterlijke vertaling van Komo-geka, een Japans boek over een VOC-arts te Tokio – blonde Hollanders werden door Aziaten vaak als ’roodharig’ omschreven. Het interpretatief kader waarbinnen al die kennis fungeert, zwakt daardoor nogal eens af en verdwijnt achter de horizon. Eerder impliciet dan expliciet (dat laatste meestal in een enkele slotalinea van een hoofdstuk) geeft Cook de lijnen aan waar het in zijn betoog om gaat.

Wat ook een beetje wringt is dat hij erg ruim omgaat met termen als ’materialisme’, dat atheïstische connotaties heeft en dat hij regelmatig gebruikt, onder andere in verband met de zeer vrome Swammerdam, en ’cartesiaans empirisme’ (wat hij wel kan duiden, maar dat toch geforceerd aandoet). In zijn benadrukking van de nieuwe empirisch geest laat hij zich verleiden tot de uitspraak dat aanhangers van de nieuwe wetenschappelijkheid de onderkenning van doelgerichtheid in de natuur verwierpen, wat op zijn minst kwestieus zo niet apert onjuist is.

Maar met alle kritiek blijft ’Matters of Exchange’ een belangrijk boek omdat het onze rol in de wetenschappelijke revolutie van de zeventiende eeuw duidelijk maakt, de relatie tussen commercie en empirische wetenschap belicht, en een omvangrijke bijdrage is aan de Nederlandse wetenschapsgeschiedenis. Daarbij neem je brutale beo’s en ’roodharige chirurgie’ graag op de koop toe.

mailIcon print |