recensie Herman Franke heeft best mooie verhalen te vertellen over zijn jeugd. Jammer dat hij die te nadrukkelijk verbindt met filosofische diepzinnigheden. Niet nodig.
’Uit het niets’ heet de pas verschenen roman van Herman Franke (1948). Zo’n titel is zelf al een gongslag, maar de ondertitel galmt nog harder: ’Voorbij ik en waargebeurd’.
De titel ontleent Franke aan de Griekse filosoof Parmenides, die beweerde dat er nooit iets ontstaat of verdwijnt. Alles gebeurt tegelijkertijd en niets kan uit het niets ontstaan. Behalve een roman, suggereert de schrijver.
De structuur van het boek weerspiegelt de opvattingen van Parmenides. Omdat alles tegelijkertijd gebeurt, kan Franke de verhalen rustig door elkaar husselen en hoeft hij geen plot te verzinnen.
En zo kiest de auteur nog een paar filosofische lijnen waarlangs hij mooie en soms surrealistische verhalen ontvouwt over interessante geliefdes en een Groningse jeugd. We mogen bijvoorbeeld nergens in zijn boek het woordje ’ik’ vertrouwen. „Noem me ik”, luidt de eerste zin van het eerste hoofdstuk. Een naam krijgt de hoofdfiguur niet, want ’een naam stelt paal en perk’. Ergens anders staat: „Ik ben ik, ook al zit ik in alle mensen.” De ’ik’ is dus geen gewoon personage.
Die nadrukkelijke pogingen tot diepzinnigheid roepen vanzelf de vraag op wat hij daar nu mee wil bereiken. Eén van de liefdesverhalen eindigt met: „Wij baarden een jongen en noemden hem ik.” Baarden zij soms zichzelf, vraag je je dan af. Maar wat voegt zo’n raadsel toe aan de beschreven liefde?
De verhalen uit dit boek hadden best op eigen benen kunnen staan. De Groningse ik-figuur vertelt bijvoorbeeld hoe hij als jongetje aan ’sluiplopen’ deed, een kinderspel waarbij een ’wachter’ met zijn rug naar de andere spelers staat en zich plotseling omdraait. Wie hij ziet bewegen, is af. De anderen moeten proberen zo dichtbij mogelijk te komen. Een van de kinderen, Freddie, is vreselijk goed in sluiplopen, want hij kan bewegen zonder te bewegen. „Hij balanceerde roerloos op één been, als een reiger aan de waterkant, en kwam toch dichterbij.” De hoofdpersoon raakt gefrustreerd en liegt uiteindelijk dat hij Freddie heeft zien bewegen, met al het kinderleed van dien.
Dat verraad is interessant genoeg, maar daar gaan we weer: Franke wil het verhaal oppompen met metafysische lucht. „Door Freddie de sluiploper stond mij jaren later tijdens een college filosofie van professor Freeze heel intens en heel precies voor ogen wat enkele Griekse filosofen 2500 jaar geleden bedoelden met hun ontkenning van de beweging.”
Dat de wraakzuchtige Freddie
’s nachts komt spoken rond het bed van de ik-figuur, zal dan ook wel wijsgerig bedoeld zijn. Maar hoe dan, en waarom?
Misschien wil Franke de lezer met deze raadsels dwingen tot zorgvuldigheid. Raadsels doen nu eenmaal een beroep op de vlijt: je gaat langzamer lezen en zoekt het antwoord in de details. Maar dat levert in deze roman niet bijzonder veel op (afgezien van een naamgrap als ’Freeze’, dat in het Engels ’blijf staan’ betekent). Het drukt je alleen wel met de neus op de schrijfstijl en dat is niet aldoor een genoegen.
Wanneer de eerste belangrijke vrouw van deze roman over de drempel stapt, schrijft Franke bijvoorbeeld: „Zo mager als haar stem klonk, zo vol waren haar framboosroze lippen. En vochtig, erg vochtig. Je zou bijna geloven dat vanuit de holte van haar mond een lobbige vloeistof over de rand was gegolfd die nog maar net was gestold.”
Zo vochtig dat het gestold lijkt? Dan is het toch niet vochtig meer? Bovendien maakt die lobbige vloeistof het beeld onsmakelijk in plaats van sensueel.
Je zou zeggen: iedereen slaat de plank wel eens mis, daar lees je welwillend overheen. Maar door al die raadsels gaat dat niet: je moet elk woord serieus nemen. Bovendien verdient deze eerste verteller de kost met het schrijven van portretten en wordt de vrouw zijn klant. Maar als een portretschrijver iemand introduceert, dan moet die introductie natuurlijk fenomenaal zijn. Dan kun je niet met een lobbige vloeistof aan komen zetten.
Franke heeft al aangekondigd dat dit boek nakomelingen zal krijgen. Hij werkt aan een ’doorlopende roman’, waarvan dit het eerste deel is. Het is te hopen dat hij in die volgende delen meer op zijn vertellersinstinct durft te vertrouwen. Al die pretentieuze wijsgerige poespas heeft hij helemaal niet nodig. Die staat alleen maar in de weg.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.