*

 

Krot tussen de weilanden

Harriët Salm − 17/11/07, 00:00

recensie

Een groepje gewetenloze witte jongens uit een deels allochtone achterstandswijk die uit roven en meppen gaan. En een vereenzaamde, net zo blanke puber, enig kind van een alcoholisch verslaafde en onooglijk vette moeder, die zo graag bij hen wil horen. Dit is het sociaal-realistische milieu waarin de nieuwe moordzaak van Lieneke Dijkzeul zich afspeelt.

Dijkzeul is vooral bekend als kinderboekenschrijfster; een jaar geleden kwam haar eerste thriller uit, met in de hoofdrol de sympathieke inspecteur Paul Vegter. Vegters vrouw is overleden na een ongeluk met een vrachtauto. Hij is een gekwetst mens en verpietert in zijn flatje.

Aan het begin van dit tweede boek zit de inspecteur over het koopcontract van een nieuw huis gebogen. Hij twijfelt: het is te duur, het dak lekt, maar toch, het is zo’n boerderij in een dorp, met een lap grond eromheen waar een stadsmens van droomt. Ook Vegter. Telkens opnieuw leest hij het adres. „De eenvoud beviel hem. Dorpsstraat 145. Geen laan, geen dreef, geen allee, en al helemaal geen Paddenpoel, Boomkleverpad of Ganzenbloem.”

Vegter moet de abjecte moord op een klein meisje oplossen. Het is meteen duidelijk wie het gedaan heeft, meestal geen aanbeveling voor een detective.

Toch stoorde die voorspelbaarheid mij niet. Want anders dan thrillerschrijfsters als Saskia Noort of Esther Verhoef zet Dijkzeul geloofwaardige karakters neer en wil je weten hoe het ze verder vergaat.

Bovendien laat ze de tegenpolen in Vegters leven prachtig contrasteren. De misselijkmakende werkelijkheid van de kindermoord die zich rond de groep probleemjongens op brommers afspeelt. En de scènes waarin de lieve, degelijke inspecteur na dit rauwe werk aan zijn lekkende krot tussen de weilanden klust. Als hij daar dan ook nog een schichtige kat aantreft die zijn hart verovert, ben ik om. Van Vegter kun je houden; ik verheug me op een vervolg.

mailIcon print |