recensie
Het verleden kunnen we doorgaans het beste bevatten doordat er beelden van zijn geschetst. Historici interpreteren daarvoor nauwgezet bronnen en filmers en letterkundigen gaan wat vrijer om met hetzelfde soort bronnen. Het leidt tot een variëteit aan historische beelden.
Ook het stripverhaal, zeggen de historici en respectievelijk medewerker en redacteur van Stripschrift Kees Ribbens en Rik Sanders in hun ’Getekende tijd’, draagt bij aan het beeld van het verleden. In vier hoofdstukken belichten zij – na een poging het begrip strip te definiëren – de geschiedenis van de strip, de relatie tussen geschiedenis én strips, strips en de samenleving en het fenomeen tijdmachine.
Wat de geschiedenis van de strip betreft: dertigduizend jaar geleden maakten holbewoners een grotschildering van een neushoorn, waarin ze probeerden beweging uit te drukken. Dat kan worden beschouwd als een voorloper van het stripverhaal. In de 19de eeuw krijgt de strip zijn definitieve vorm en groeit uit tot zowel massamedium als kunstuiting.
Kapitein Rob in Het Parool, Pa Pinkelman van Godfried Bomans in de Volkskrant en niet te vergeten Marten Toonders Tom Poes in diverse dagbladen zijn er goede voorbeelden van dat er niet alleen voor nieuws reikhalzend naar de dagelijkse krant werd uitgekeken.
Geen geschiedenis is zo ver in het verleden gelegen of via de strip is zij te verbeelden. Denk maar aan de Flintstones, al zal ieder serieus kenner van de prehistorie die avonturen met kilo’s zout nemen. Want Dino was echt geen oeroud huisdier. Asterix is weliswaar humoristisch en satirisch, maar volgens de samenstellers van het boek wel degelijk historisch verantwoord. Strip en samenleving passen zeker bij elkaar. Eind 2004 haalt een (omstreden) stripbewerking van het leven van prins Bernhard het achtuurjournaal. En natuurlijk ontbreken de avonturen van Trouws Anton Dingeman – van Pieter Geenen – niet als voorbeeld van ’sociale satire in kadervorm’.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.