*

 

Orgelpark maakt magere start

Christo Lelie − 23/01/07, 00:00

recensie

Openingsconcert Orgelpark op 21/1.

Een podium bieden waarop organisten in een volwaardige concertambiance een nieuw publiek voor hun instrument winnen. Dat is de doelstelling van het afgelopen weekend geopende Orgelpark in Amsterdam.

Afgaande op de belangstelling voor de herhaling van het openingsconcert zondagavond, bleek dit nieuwe publiek het Orgelpark minder goed te vinden dan de talrijke beroepsorganisten die deze avond waren gekomen. Zij konden vaststellen dat de voormalige Parkkerk, het vroegere bolwerk van de Gereformeerden in Hersteld Verband, een wonderschone tempel van art deco is geworden. Buitengewoon luxe en aangenaam ogen de foyers, garderobes en toiletten.

De programmering voor het lopende seizoen is veelzijdig met cross-overs naar andere podiumkunsten en is toegesneden op een breed publiek. De aanwezigheid van de drie onderling verschillende en uitstekend gerestaureerde orgels biedt ongekende mogelijkheden voor de programmering van twintigste-eeuwse en nieuw te scheppen orgelmuziek. Bijzonder is dat de orgels tegelijk kunnen worden bespeeld.

Dit samenspel van organisten was het thema van de openingsmanifestatie. Berry van Berkum, Hayo Boerema en Elske te Lindert bespeelden de drie orgels in twee nieuwe composities. Hierin viel vooral het originele Sauer-orgel van de Parkkerk op. Met zijn laatromantische klank, zeer glad en kleurrijk met vooral in het pianissimo een verrukkelijke strijkende toon, is het een voor ons land uniek monument van vroegtwintigste-eeuwse, Duitse orgelbouwkunst. Aardig is dat de speeltafel van het balkon is gehaald en plaats kreeg op de kolossale, centrale kansel. Dit symboliseert hoe de muziek de verkondiging in deze gewezen kerk heeft verdrongen.

Charmant en lekker decadent klinkt het kleine, Weense salonorgel dat op de parterre staat opgesteld. De klank is enigszins verwant aan die van het Sauer-orgel en daarom is het samenspel van deze dwerg met de reus ideaal. Hoe anders is het derde instrument, een neobarok, vrij scherp geïntoneerd Van Leeuwen-orgel. Dit is zeker niet het fraaiste specimen van de Nederlandse Orgelbeweging, maar het is met zijn oerdegelijke, ’protestantse’ klank wel een aanvulling op de twee andere, nogal wufte orgels uit het begin van de twintigste eeuw.

Ondanks alle in het Orgelpark samengebrachte positieve elementen, was het openingsconcert geen succes. Het theaterstuk ’Voix angélique’ voor twee acteurs en drie organisten was muzikaal smakelijk en toegankelijk, met draaiorgelachtige kermismuziek van de hand van Vincent van Warmerdam. De povere dramaturgie, de enscenering en bovenal het magere verhaal van schrijver Jan Veldman stelden echter danig teleur. Het kwam geforceerd over dat dit spektakel over orgelmakers en kerkorganisten ging, waar het toch de gedachte van het Orgelpark is deze stereotiepe beeldvorming te doorbreken.

Na de pauze volgde na veel te lange toespraken nog slechts een kwartiertje pure orgelmuziek. In het experimentele ’Chimeira’ van Fred Momotenko piepten en knarsten de drie orgels door elkaar. Aardig waren de theatrale lichteffecten. Dit soort muziek wordt al decennia lang gecomponeerd; het vernieuwende zat hem er alleen in dat drie orgels samenspeelden. Graag had ik deze avond de instrumenten ook afzonderlijk gehoord in geëigende literatuur. „Dat hebben we opzettelijk niet gedaan, in de hoop dat het publiek hier later voor terugkomt”, aldus artistiek leider van het Orgelpark Johan Luijmes. Of dit gaat lukken is voor het Orgelpark en bovenal voor het pijporgel als autonoom muziekinstrument te hopen.

mailIcon print |