*

 

Nietszeggendheid treft ’Lichaam’ als een boemerang

Hans Oranje − 09/02/07, 00:00

opinie

Het Zuidelijk Toneel met ’Lichaam’. Tournee t/m 15 maart.

Het is sneu voor de regisseur, Olivier Provily, en voor de zes acteurs, Carola Bürtschiger, Nanette Edens, Thomas Oerlemans, Marcel Osterop, Irene Slotboom en Dimme Treurniet. Het is ook sneu voor het gezelschap Het Zuidelijk Toneel, dat toch al met horten en stoten zijn weg zoekt in het Nederlandse toneellandschap. Maar de voorstelling ’Lichaam’ is een pijnlijke mislukking, al voeg ik daar ten overvloede meteen aan toe dat het vanzelfsprekend mijn persoonlijke mening is.

Het betreft hier de tweede voorstelling in een reeks ’autonoom’ theater voor de grote zaal waarmee Provily als compagnon van artistiek leider Matthijs Rümke probeert de werkelijkheid die ons omringt in een verrassende vorm te vangen. Bij de eerste voorstelling, ’Fragmenten’, die in december 2005 in première ging, bekroop mij al de twijfel, schreef ik toen, of Provily voldoende dramatische kracht kon putten uit de teksten die elkaar in nietszeggendheid en clichématigheid naar de kroon steken. Nu, bij de tweede productie, die met dezelfde acteurs is gemaakt en in vorm en ritmiek opvallende overeenkomsten vertoont met de vorige, ben ik er treurig zeker van dat dit autonome gedoe een meesterlijk uitvergrote vorm van navelstaarderij is.

Wat die navel betreft: de voorstelling begint met een geestig exposé van Nanette Edens over haar lichaam, waarbij ze zich volledig uitkleedt en de meest aantrekkelijke kanten van haar figuur, waaronder haar navel, met de toeschouwers bespreekt. Ook de volgende scène waarin de acteurs vijf gedekte tafels opdragen en ieder voor zich aan een ervan de maaltijd gebruiken is grappig door de vorm, al gaan de stijve zinnetjes in schoolfrans die de gasten van het hotel met elkaar uitwisselen, wel erg lang door. En dat is de tweede makke die de voorstelling treft: voor die lange, lange stiltes heb je een interessante voorafgaande tekst, een gebaar of een gezichtsuitdrukking nodig die een spanningsboog veroorzaakt.

Dat ontbreekt in deze voorstelling. De van ver komende geluiden, als die van een blaffende hond of een carillon, krijgen een tergende esthetiek. Het uitrekken van de handeling, die zich in enkele zinnen laat beschrijven, tot een twee uur durend non-gebeuren, mist elk spoor van dwingende dramatiek. Enfin, dat zal wel de autonomie zijn van Provily’s theater. Maar ik vind het beslist een zwaktebod als hij een van de actrices daar in de voorstelling al op laat zinspelen wanneer ze zegt: „Ik ben bang dat de mensen denken dat het niets is”.

Zoals hij enkele jaren geleden met zijn regie van Tsjechovs ’Oom Wanja’ bij Toneelgroep Amsterdam bewees, kan een trage handeling heel treffend werken bij een relevante tekst. Ik zou daarom deze regisseur liever een autonomie toewensen die beperkt wordt door het gezag van een toneeltekst die er toe doet.

mailIcon print |