recensie
Regie: Kevin Macdonald. Met James McAvoy, Forest Whitaker, Kerry Washington. In 15 bioscopen
In zijn fascinerende boek ’The Last King of Scotland’ beschrijft Giles Foden, op basis van dagboekaantekeningen, de wederwaardigheden van de Schotse arts die halverwege jaren zeventig de lijfarts werd van de Oegandese dictator Idi Amin. Nicholas Garrigan arriveert, vers van de universiteit, juist op het moment dat Amin de macht grijpt.
De eerste keer dat hij de nieuwe leider ziet, zo beschrijft het boek, biedt Amin ’een indrukwekkende aanblik’. „Hij had een uitstraling die zich nauwelijks beschrijven laat en die meer met de ritmiek van zijn stem te maken had dan met de pelzen om zijn lijf en de veren in zijn hoofdtooi.”
Ook in deze verfilming van het boek is dat eerste moment bijna magisch: de zwaarlijvige, goedlachse Amin (Forest Whitaker, genomineerd voor een Oscar) is een scherpe charmeur die je toch niet durft te vertrouwen. Dat Garrigan zich laat paaien door deze hypochondrische lachebek met een voorliefde voor Schotland, is volkomen voorstelbaar.
Maar eenmaal opgenomen in het presidentieel paleis en Amins sociale kring kan de jonge arts onmogelijk de andere zijde van het staatshoofd blijven negeren: zijn driften, achterdocht en bloeddorstigheid. Dat Amin de Schot steeds meer gaat beschouwen als een persoonlijk adviseur, maakt Garrigans positie alleen maar gecompliceerder.
Met zijn twee uitstekende hoofdrolspelers laat regisseur Kevin Macdonald zien hoe onmogelijk het soms is gevaar te zien, juist wanneer je er bovenop zit.
Wordt het historische geweld in de film een tijdlang op afstand gehouden, tegen het eind wordt ’The Last King of Scotland’ in een paar vet aangezette scènes toch nog bloederig. Idi Amin werd nu eenmaal niet voor niets ’Slachter van Afrika’ genoemd.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.