*

 

Asko Ensemble brengt theatraal Stockhausen-retrospectief

Anthony Fiumara − 12/01/07, 00:00

recensie

Concertgebouw Amsterdam, Asko Ensemble en Helena Rasker (alt) olv Oliver Knussen. Werk van Karlheinz Stockhausen.

’Orkest’ was altijd een rekbaar begrip bij componist Karlheinz Stockhausen. Zo zag de podiumopstelling voor ’Orchester-Finalisten’ er woensdag in de grote zaal van het Amsterdamse Concertgebouw eerder uit als de opmaat voor een breakdance-competitie of een flamenco-avond.

Geen kudde musici op een kluitje, die braaf de dirigent volgen. Nee, de twaalf spelers van het Asko Ensemble zaten in een halve cirkel en lieten steeds één solist zijn kunstje doen. Tegen een achtergrond van hedendaags-pastorale elektronische geluiden (treinen, spelende kinderen, een overvliegende straaljager, vogeltjes) probeerde iedere speler in dat klanklandschap op te gaan. De fagottist trok al spelend zijn linkerbeen op, legde zijn hoofd in zijn nek en werd een soort virtuoze reiger; de trombonist draaide vervaarlijk om zijn as, ging al spelend liggen en speelde rustig verder; de contrabassist viel van schrik om toen een mummie (de slagwerker) naast hem opdook met een hengst op de gong; de fluitist moest zijn solo vroegtijdig afbreken, met een welgemeend ’sorry’ naar de zaal. Hij nam revanche met de laatste toon in het stuk.

’Orchester-Finalisten’ (1996) maakt deel uit van Stockhausens onlangs voltooide mega-operacyclus ’Licht’, waaraan de in 2008 tachtig jaar oude componist sinds 1977 werkte. De meeste delen uit de opera (die ieder een dag in een week beslaan) zijn de afgelopen decennia al te horen geweest in Nederland. Mooi dat het Asko Ensemble dit instrumentaal-theatrale werk uit ’Mittwoch’ tien jaar na de première weer eens uitvoerde.

’Orchester-Finalisten’, een gestileerde wedstrijd, maakte woensdag deel uit van een Stockhausen-retrospectief, met naast de ’Fünf Sternzeichen’ uit 1974 ook de ’Drei Leider’ uit 1950, dat de 22-jarige Stockhausen als proeve van bekwaamheid naar de toelatingscommissie van het conservatorium stuurde.

In de expressief uitgevoerde liederen waren die 22 jaar er in geen geval van af te horen. Stockhausen begon als een Schönberg-adept met ongelooflijk goede oren: in ’Der Rebell’ hoorde je ’A Survivor from Warsaw’ terug, maar ook al de geile nachtclubjazz die hij in ’Jahreslauf’ (uit ’Licht’) weer zou gebruiken. Het lied ’Der Saitenmann’ liet dirigent Oliver Knussen bijna als Mahler klinken; de warme alt van Helena Rasker werkte betoverend bij de ironisch-archaïsche teksten.

Klonk Stockhausen in 1950 nog als een echte Duitse componist, in het jaar na de ’Drei Lieder’ stond hij aan de top van de internationale avant-garde. In ’Fünf Sternzeichen’ uit 1974 hoorde je zijn invloed op ex-student Claude Vivier. Het is een meesterlijke instrumentatie van de dierenriem-melodieën die Stockhausen voor speeldoosjes maakte. Wonderlijk lichte miniatuurtjes van zijn greatest hits. De melodieën lijken nergens heen te gaan. Knussen voerde ze twee keer uit, in de herhaling klonken ze nog mysterieuzer.

mailIcon print |