*

 

Michael Torke serveert lekkere Breezer in de salon

Anthony Fiumara − 08/01/07, 00:00

recensie

Serie NPS Klassiek, vr 5 jan: Schönberg Ensemble en Frans Fiselier (bas-bariton) onder Micha Hamel. Werk van Ince, Vustin, Torke en Tarnapolski.

In het programmaboekje van het vrijdagavondconcert in het Utrechtse Vredenburg was de titel van Michael Torke’s stuk ‘Adjustable Wrench’ aandoenlijk omslachtig vertaald als ‘reguleerbare ontwrichting’. Terwijl een beetje doe-het-zelver meteen wist dat Torke een Engelse sleutel bedoeld moest hebben.

Ontwrichtend is de muziek van de Amerikaanse componist Torke namelijk allesbehalve. Al zijn stukken liggen lekker in het gehoor, hebben een wijsje dat je fijn mee kunt fluiten en zijn zeer geschikt voor klassieke musici die iets hips willen spelen. Popmuziek voor in de salon, zeg maar. Zoals een groot deel van het programma in de serie ‘Whiskey & Wodka’ (hedendaagse muziek uit west en oost) van het Breezer-achtige, lichtere soort was.

‘Adjustable Wrench’ is wel een van Torke’s beste stukken. De melodie uit het begin is een fondanten versie van het rocknummer ‘Jump’ van Van Halen, ook uit de jaren tachtig. De noten van het springerige deuntje veranderen in de tweede passage in de begeleidingsakkoorden, die op hun beurt voorzien worden van een nieuwe melodie, die in een volgend deel de begeleiding wordt enzovoorts. Zo past de componist al draaiend en schroevend al zijn materiaal op elkaar.

Onder dirigent Micha Hamel deed het Schönberg Ensemble zijn best om de muziek van Torke zo swingend mogelijk te spelen, maar vonden ze vrijdag de puls niet echt. Dat gold ook voor de Turkpop van de Turkse Amerikaan Kamran Ince, van wie het minimalistische ‘Turquoise’ wat meer gerepeteerd had mogen worden; het Pürt-achtige ‘Arches’ liep een stuk beter, al leunde de instrumentatie wat te sterk op het fond van prefab-strijkers uit de synthesizer.

Dat elektronische versterking van zo’n verfijnd gezelschap als het Schönberg Ensemble in de werken van Herbert Ince werkte als whisky met ijs, hoefde je de Russen Alexander Vustin en Vladimir Tarnapolski niet uit te leggen. In het lied ‘Thuiskomst’ serveerde Vustin zijn wodka onverdund: melancholisch gezongen door bas-bariton Frans Fiselier, met lange lage noten in het strijkseptet en zware stappen huiswaarts door de grote trom en de piano.

Ook in ‘De slinger van Foucault’ van Tarnapolski hoorde je het Schönberg Ensemble op zijn best. Twee bayans (Russiche accordeons) aan de flanken leken het ensemble als een pendule aan te blazen: van klankgolvend tot tikkend (de metronoom die dirigent Hamel in beweging zette), wild dansend en piepend na-ijlend.

Tarnapolski schreef met ‘De slinger’ onmiskenbaar het sterkste en avontuurlijkste werk van de avond, dat het Schönberg Ensemble en Hamel ook nog eens als een maatpak pastte.

Als je nou ergens de woorden ‘reguleerbare ontwrichting’ op los zou moeten laten, dan zou het op dit vervaarlijk slingerende hemellichaam zijn.

mailIcon print |