recensie Slim was ze niet, en belangrijk evenmin. Maar beroemd werd Marie Antoinette toch: als geldverkwistende harpij - en als slachtoffer van de Franse guillotine. Maar in feite, zo betoogt Antonia Fraser in haar schitterende biografie, was de koningin een hartelijke vrouw die werd uitgehuwelijkt aan een ’klungel’, en braaf deed wat ze geleerd had: geld uitgeven en zonen baren.
Bij het verschijnen van Antonia Frasers biografie van Marie Antoinette in de Angelsaksische wereld waren de prijzende woorden niet van de lucht. Begrijpelijkerwijs prijkt een ruime selectie van deze loftuitingen op de flap van de Nederlandse vertaling ,,Fraser legt een grotere psychologische accuratesse aan de dag dan alle eerdere biografen’’ meende The New York Times Book Review, en The Independent voorspelde: ,,Deze prachtig geschreven biografie zal net zoveel succes hebben als haar andere boeken. Mis het niet.’’ Die andere boeken, ook al zeer de moeite waard, omvatten onder meer een biografie van de Schotse koningin Mary Stuart en een studie over de zes vrouwen van Hendrik VIII. Maar met ’Marie Antoinette’ heeft Fraser zichzelf overtroffen.
Vijf jaar lang heeft ze, speurend in archieven en reizend langs de plaatsen die een rol speelden in het leven van haar hoofdpersoon, aan deze biografie gewerkt, en dat is te merken. Antonia Fraser beheerst haar stof volkomen, en uit de duizenden prachtig gekozen details, anekdotes en citaten weet ze een strak gecomponeerd betoog te smeden.
Dat dwingt des te meer bewondering af omdat ’Marie Antoinette’ haar belang vooral ontleent aan de wijze waarop zij door de geschiedenis tot speelbal werd gemaakt, eerder dan aan eigen intellectuele capaciteiten - die waren namelijk niet erg indrukwekkend, zo laat Fraser fijntjes, maar zonder ook maar enigszins laatdunkend te worden, doorschemeren.
Deze intellectuele onbeduidendheid van Marie Antoinette wordt door Fraser op virtuoze wijze uitgebuit. Marie Antoinette was, ook door haar zachtaardige karakter, iemand die weinig invloed uitoefende maar er veel onderging, onder meer van haar formidabele moeder, de Oostenrijkse keizerin Marie Theresia, wier vijftiende kind zij was. Marie Antoinette was vooral een pion in het toentertijd zo belangrijke spel van koninklijke allianties, en daarnaast bestond haar voornaamste taak in het baren van, liefst mannelijk, nageslacht. Dat wisten we allemaal natuurlijk al lang, maar de manier waarop Fraser dit invult met citaten en anekdotes maakt het buitengewoon invoelbaar.
Fraser gebruikt haar hoofdpersoon vaak als een soort spiegel van haar tijd, en de persoonlijke belevenissen van Marie Antoinette benut de schrijfster om van haar wereld een meeslepend beeld te geven. De beschrijvingen van de regels van het hofleven in Versailles, met zijn tot in het onwaarschijnlijke uitgewerkte, intens hiërarchische etiquette, zijn uiterst boeiend doordat Fraser precies laat zien wat daarbij voor iedereen op het spel stond. Deze hele ingewikkelde wereld met vaak onderling verwante, naar hartelust - maar ook uit lijfsbehoud - intrigerende prinsen, graven, prinsessen en markiezinnen wordt op fascinerende wijze tot leven gewekt.
Daarbij slaagt Fraser erin om bij de lezer sympathie en mededogen te wekken met een hartelijke en ongecompliceerde vrouw die gedwongen was een leven te leiden waarvan wij ons in deze tijd amper een voorstelling kunnen maken.
Zij werd uitgehuwelijkt aan iemand die zij niet kende, en die een toonbeeld van seksuele indolentie bleek te zijn. De belangstelling van haar man Louis ging zijn hele leven lang vooral uit naar de jacht en, in iets mindere mate, naar metaalbewerking. ,,Twee volstrekte klungels’’, luidden de woorden waarmee Marie Antoinettes broer, de Oostenrijkse keizer Jozef II het seksleven van het jonge paar in die begintijd samenvatte. Maar na meer dan acht jaar kwam er toch een eerste kind, en later volgden er nog drie.
Geleidelijk aan ziet de lezer Marie Antoinette rijpen en uitgroeien tot een voortreffelijk moeder en zelfs een liefhebbend echtgenote. Tegelijkertijd verspeelde ze echter langzaamaan de gunst van het Franse volk, dat haar aanvankelijk juist zeer welgezind was. Mede debet hieraan was de catastrofale situatie van de overheidsfinanciën, die het noodzakelijk maakte om hoge belastingen te heffen en 41 % van de begroting uit te trekken voor de aflossing van de staatsschuld, alsmede hongersnoden ten gevolge van slechte oogsten en ijskoude winters. Het algemeen heersende ongenoegen vond een uitweg in pamfletten die in Parijs verschenen, en waarin de koningin werd afgeschilderd als een overspelige, onverzadigbare en spilzieke harpij.
Fraser weet aannemelijk te maken dat van al die verhalen over seksuele uitspattingen niets aan is, en wat haar uitgavenpatroon betreft: ze had nooit anders gekend, en binnen de in haar kringen heersende normen overdreef ze eigenlijk niet. In zekere zin bestond geld voor haar niet, een beetje zoals in science fiction-verhalen ook nooit iemand zich om het kostenplaatje bekreunt.
Tot zeer grote hoogten stijgt Fraser wanneer de opstand eenmaal daar is. De beschrijving van de gruwelen doet de lezer regelmatig de haren te berge rijzen, zoals het relaas van de dag waarop Louis XVI en Marie Antoinette door het volk gedwongen werden om in een urenlange rit vanuit Versailles te verhuizen naar het paleis van de Tuilerieën in Parijs, gezeten in een karos terwijl naast hen, op twee pieken, de afgehakte hoofden van twee van hun lijfwachten werden meegedragen. Ook de beschrijving van de ontsnappingspoging uit dit paleis, die op een klungelige manier spaak liep in het Noord-Franse dorpje Varennes, leest als een superieure thriller binnen het boek, al weet de lezer hoe het afliep.
De beproevingen en kleingeestige plagerijen waaraan Marie Antoinette in haar laatste jaren het hoofd moest bieden, de beestachtigheden waarmee de revolutie gepaard ging, de flinkheid van Marie Antoinette in het aangezicht van de dood, alles wordt even precies beschreven, en de lezer kan, aan het eind van deze schitterende studie gekomen, niet anders dan mededogen voelen met een vrouw die er ook niets aan doen kon dat ze belandde in het hart van één van de grootste stormen die de West-Europese geschiedenis heeft gekend. Op haar wijze heeft zij gedaan wat haar in de gegeven omstandigheden het beste leek, en daarmee heeft zij zich de volle sympathie van de lezers van dit boek - dat nog dagenlang in het hoofd blijft rondspoken - verworven.
Het toeval wil dat vrijwel tegelijkertijd met de biografie van Antonia Fraser een boekje is verschenen van de hand van de Nederlandse antropologe Caroline Hanken, dat grotendeels dezelfde tijd behandelt en nagenoeg in hetzelfde milieu speelt. Het heet ’De koning is dood!’, en is gebaseerd op de memoires van de markiezin Lucy de La Tour du Pin. Deze leefde van 1770 tot 1853 en was in haar jeugd enkele jaren lang hofdame van Marie Antoinette. Ook in het boek van Fraser wordt zij herhaaldelijk genoemd en geciteerd.
Het had buitengewoon aardig kunnen zijn om al die gebeurtenissen in de vroege revolutiejaren als het ware vanuit een ander camerastandpunt te bekijken, maar helaas kan Hanken, noch als schrijfster noch als analytica, ook maar in verste verte tippen aan haar Engelse collega.
Haar boek bestaat uit in de tegenwoordige tijd geschreven samenvattingen van delen van de herinneringen van Madame de La Tour du Pin, onderbroken door passages waarin Hanken de gebeurtenissen in hun historische context plaatst. De schrijfster promoveerde een tiental jaren geleden op een proefschrift, ’Gekust door de koning’, over maîtresses van Franse koningen, dat weliswaar lezenswaardig was, maar mij indertijd toch ook al met een licht gevoel van frustratie achterliet. Een grotere vertrouwdheid met nuances van de 17de- en 18de-eeuwse Franse taal en mentaliteit die destijds zoveel hiërarchischer was dan de onze, had nog scherpere inzichten had kunnen leiden. Niettemin oogstte zij de lof van Jan Blokker en Martin van Amerongen.
Dit nieuwe boekje stelde mij, ondanks het opnieuw mooie onderwerp, sterker teleur. In de slagschaduw van Frasers prachtige boek verbleekt het geheel. Hanken blijft erg aan de oppervlakte, onder haar vlakke pen komt vrijwel niets tot leven, in kale hoofdzinnen rijgen de clichés zich aaneen tot een nogal kinderlijk aandoend betoog (,,Maar Lucy kan niet stilzitten en wachten. Ze moet weten hoe het met Frédéric gaat. In dit boerendorpje is er niemand die haar van nieuws kan voorzien.’’ ). Eigentijdsheden zoals de omschrijving ’drop-out’ voor een edelman die het hof van Versailles kort voor het begin van de revolutie schielijk verliet, geven het boek bij vlagen zelfs iets potsierlijks. Wat Fraser de lezer met een weelde aan details haarscherp voor ogen zet, blijft bij Hanken aangeduid in vage contouren. Jammer, want, zoals gezegd, de schrijfster had mooi materiaal in handen.
Maar het boek van Fraser mag niemand die in de Franse revolutie geïnteresseerd is zich laten ontgaan!
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.