recensie In twee onlangs vertaalde Noorse romans trekken stedelingen naar het land: weg van de stad, de telefoon en de ’weerzinwekkende’ televisie.
De Noorse bossen oefenen een grote aantrekkingskracht uit op wie het hectische stadsleven wil ontvluchten. Dat begrijpen uitgevers kennelijk ook: bijna gelijktijdig met een bundel columns van een Nederlandse emigrant zijn twee Noorse romans verschenen waarin de hoofdpersoon het drukke Oslo ontvlucht en zijn heil zoekt in de Noorse bossen.
In ‘Paarden stelen’ van Per Petterson trekt de 67-jarige Trond zich na de dood van zijn vrouw terug op het Noorse platteland: ,,Ik woon nu hier, in een klein huis aan een meer helemaal in het oosten van het land.’’ Zijn leven bestaat vooral uit praktische bezigheden zoals hout zagen en sneeuw ruimen. Van moderne verworvenheden als telefoon en televisie heeft hij afstand gedaan: ,,Ik dacht dat als je alleen bent je al snel tot diep in de nacht aan die flikkerende beelden kunt blijven vastplakken en aan de stoel waarin je zit, en dan vergaat de tijd zomaar terwijl je anderen laat bewegen. Dat wil ik niet.’’
Wanneer hij kennismaakt met zijn buurman wacht hem een onaangename verrassing. Hij kent Lars Haug nog van vroeger, toen ze beiden opgroeiende jongens waren. Soepel wisselen heden en verleden elkaar vervolgens af en de lezer komt gaandeweg te weten wat er zich indertijd heeft afgespeeld. Een vader die vervreemdde van zijn gezin, een zoon die zich verraden voelde. Het is een verhaal dat overtuigt omdat het nergens sentimenteel wordt, maar behoedzaam en enigszins afstandelijk wordt verteld.
De tegenstelling met de roman van Erlend Loe kon nauwelijks groter zijn. Loe is een populaire schrijver die een vlotte schrijfstijl paart aan ironie en absurdisme. Ook Loe’s hoofdpersoon, Doppler, trekt zich terug in het bos. Maar hij doet dat iets radicaler dan Trond: hij leeft in een tent en eet wat het bos hem te bieden heeft. Het is een verademing voor deze dertiger, die de eisen van de moderne tijd te veel zijn geworden: ‘Ik vroeg me opeens niet meer af of we Italiaanse tegels moesten nemen, of Spaanse, of matte of glanzende, of dat we onszelf gewoon op glasmozaïek zouden trakteren, iets waar mijn vrouw uiteraard een groot voorstander van was.’’
Ondanks het verschil in toon en stijl, hebben de twee boeken ook veel gemeen. Ook Doppler heeft een hekel aan televisie: ,,Tv-kijken is voor mij alsof ik een naslagwerk doorblader over de redenen waarom ik niet van mensen hou. De tv is een concentraat van alles wat weerzinwekkend is aan ons.’’
Ook de vader-zoonverhouding speelt een belangrijke rol. Doppler probeert het overlijden van zijn vader te verwerken door een totempaal voor hem te maken, een klus waar hij bijna een jaar mee bezig is.
Uiteindelijk bevalt het leven in de natuur Doppler zo goed, dat hij besluit niet meer terug te keren naar de beschaving, maar dieper het bos in te trekken. Loe voert de lezer met zich mee op dit onwaarschijnlijke avontuur door stilistisch consequent te zijn en de interne logica van zijn personages te volgen.
Dat de Noorse bossen niet alleen in de literatuur, maar ook in werkelijkheid een grote aantrekkingskracht uitoefenen, mag blijken uit de gebundelde columns van Hans den Dikken. ,,Kom naar boven, kom toch naar boven,’ gonst een fluisterende bergstem door de dalen.’ Den Dikken emigreerde met vrouw en drie kinderen naar Noorwegen en doet verslag van zijn eerste jaar als nieuwe Noor.
Rust en ruimte biedt het land zeker, maar ook een strenge en donkere winter: ,,De zon kruipt stukje bij beetje verder langs de hemel omhoog en geeft de winter kleur. IJzig grijs wordt zonovergoten wit. Nog een paar dagen en dan beschijnt hij misschien wel drie minuten onze tuin.’’
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.