*

 

De weg van plicht naar licht

Erik Jan Harmens − 11/10/08, 00:00

recensie Ziek zijn is geen prettige of esthetische bedoening. Wouter Godijn bestrijdt het ongemak met humor. En stelt zich voor dat hij voor God staat.

Wouter Godijn heeft een spierziekte en schreef over dat ziekteproces een bundel genaamd ’De zieken breken’. De bundel is opgedeeld in vijf hoofdstukken: een proloog, een epiloog en daartussen drie delen. Overigens bestrijdt de auteur in een begeleidend schrijven dat de poëzie over zijn ziekte gaat. „Voor wij sterven, worden wij immers gewoonlijk ziek. Vroeg of laat gaan deze gedichten dus over u.”

In de proloog van de bundel lees je het verhaal van een man die dagelijks zijn ingewanden uitbraakt. Ik weet dat dat vies klinkt, maar de realiteit van ziek zijn is ook niet bepaald een esthetische bedoening: „Ik laat me zakken op de WC,/word wijd en voel hoe een nieuw wonder uit me glijdt:/een roodbruine onderzeeër, waar een onzichtbaar kaboutertje op rijdt.” Nou ja, het is natuurlijk wel op een wrange manier uiterst grappig opgeschreven. Humor als de overtreffende trap van wanhoop. Het sacrale van ’een nieuw wonder’, het ’word wijd’ alsof er een hangar wordt geopend waarin een of ander revolutionair prototype aan de verzamelde pers wordt getoond.

Dan het hoofdstuk ’De zieken spreken’, dat eerst op dezelfde bruuske wijze lijkt door te tararaboembiejeeën („Jou/smachtend aankijken, uitnodigend zwaaiend/met mijn jengeldejengel. ’), maar ook een serie waarin Godijn komt met machtige volzinnen als: „Jij kijkt en zwijgt en denkt/niet wat jij denkt. Alleen jij/kunt zo verdonkeremanen. Een vrouw/in het zand draait haar roodbruine, met snot bespatte/rug naar me toe en kijkt/over haar schouder of ik wel kijk.”

Als de tegenspeelster in een toneelstuk niet denkt wat zijzelf denkt, wat denkt zij dan? Zij denkt wat de ik-figuur heeft bedacht wat zij denkt. Zodoende is dit aardig exemplarisch voor wat een ziekte doet met een relatie: de patiënt wordt onhebbelijk en dominant en snuit in het echtelijk bed zelfs zijn neus tussen de schouderbladen van zijn geliefde. De auteur maakt in een wanhopige poging tot altijd-blijven-lachen van die niesbui een scène uit een erotische film, waarbij de opvangster van het snot als een pornoactrice ’kijkt of ik wel kijk’.

De titel van hoofdstuk vier, ’De zieken leggen Wouter Godijn het zwijgen op en spreken verder’, riep bij mij de verwachting op dat dit gedichten zouden zijn van een door de ziekte overwonnene. Na de viezigheid, het realisme en het geraaskal, komt plotseling God in beeld: „Naakt stond ik voor U. Ik scheurde//mijn japon. Niet zozeer om U te behagen,/meer omdat ik niet anders kon. U deed er niet veel toe,/hoewel ook weer wel.//U zat maar te geeuwen,/terwijl ik stond te schreeuwen:// ’De zon! Ik zie de zon!’”

Leest u die regels alstublieft nog even terug. Ze zijn zo mooi. Zo’n japon die is aangetrokken om de Heer te behagen. En de ik-figuur die er als een onhandig meisje niet in slaagt om het kledingstuk heel te houden tijdens de tocht naar de hemelpoort. En dat de Heer geeuwt bij het aanhoren van zijn relaas, terwijl in het hieronder geheel afgedrukte gedicht ’Weg ’, dat de epiloog van de bundel vormt, Godijns dichtregels hun schepper vermoeid beginnen aan te kijken.

Die schepper, de schrijver van het gedicht dus, is een man die de geneugten van het voortdurend thuis zijn afzet tegen zijn ziekte. Hij prijst de lichtinval en het herfstig gebladerte in de tuin. Doodt de tijd door zijn hoofd te schudden, als gevolg waarvan een bureaulamp beweegt zonder dat hij hem hoeft aan te raken. En schrijft gedichten, waarbij de regel ’als een blinde zwaaiend met zijn armen’ op basis van literaire argumenten afvalt, al beschrijft het wat hij werkelijk voelt.

Maar hij schrijft geen dagboek, hij schrijft poëzie, deze man die zich niet voor een trein durft te gooien, omdat het zijn plicht is om te blijven leven tot God hem roept. De titel van het gedicht doet vermoeden dat de man die tijdspanne nog wel kan overzien.

mailIcon print |