recensie Zonder religieuze beleving geen religie – misschien is ze wel de kern ervan. Toch lees je er maar weinig over. In deze rubriek beantwoorden mensen vragen over wat ze op religieus gebied hebben beleefd. Vandaag: Caren van Herwaarden.
Wat hebt u beleefd?
„Ik heb als kind beleefd hoe het is om te leven alsof er een God in de hemel is die naar ons kijkt. Die tic is altijd gebleven. Toen ik klein was geloofde ik intens. Tijdens het oefenen voor de Heilige Communie verlangde ik ontzettend naar het moment dat ik de hostie mocht proeven. Want dan zou er iets bijzonders gebeuren, zou ik in een directe lijn met God staan, aangesloten zijn. Dan zou het geheim zich openen, en zou ik er écht bijhoren.
Tot op de dag van vandaag leef ik met een Hoog Oog, kijk ik vanuit een satelliet- of vogelvluchtperspectief naar de wereld. Net als vroeger volg ik vanuit dit perspectief mezelf en de andere mensen.
Ik weet nog goed hoe we vroeger in de kerkbanken moesten oefenen. Op de knieën, het hoofd in de handen. Vijf minuten was de hele kerk stil, en iedereen dacht aan hetzelfde, aan God. En aan de afgelopen week. Wat deed je fout, hoe kan je het anders doen. Zo werd introspectie en moreel besef bijgebracht. Zo leerden ik nadenken over wie ik ben en wil zijn.
De innerlijke dialoog is gebleven. Ik denk heel vaak na een gesprek: heb ik het goed gedaan, ben ik niet te bot geweest? Vroeger gaf ik zulke twijfels af bij God: dit of dat is er gebeurd, doe er maar wat mee. God, Jezus, Maria, ze behoorden tot mijn vertrouwde extended family.
Die geborgenheid ben ik kwijtgeraakt. De heilige hosties bleken in grote plastic zakken binnen te komen, de hemelse gewaden van de priester hingen gewoon aan knaapjes in de sacristie en gingen gewoon naar de stomerij. En een lieve oom van mij die missionaris was, zat vanwege de kerkelijke bureaucratie overspannen bij ons thuis.
Toen ik negen was, gapte ik kwartjes uit de jas van mijn moeder en voelde me ontzettend schuldig. Het verteerde me. Desondanks bleef ik het doen, een soort verslaving. Ik kon er niet meer van slapen. Een paar keer ben ik toen ’s ochtends vroeg de deur uit geglipt om bij het Mariabeeld in de vlakbij gelegen kerk te bidden. ’Zorg dat ik het niet meer doe’, smeekte ik. Maar korte tijd later deed ik het toch weer. Ik vond het afschuwelijk. Toen ben ik op een nacht naar mijn moeder gevlucht en heb haar alles opgebiecht. Dat hielp wel. Maria en Jezus antwoordden niet echt, mijn moeder wel. Pas toen waren het gappen en het schuldgevoel over.”
Troosten mensen beter dan goden?
„Als je door een mens wordt getroost ben je niet alleen. We verlangen er allemaal naar op te gaan in de menigte. Het is troostend om je een schakel te weten in een eindeloze reeks, geen individu meer te zijn maar slechts een vlek. De ervaring een nietig onderdeel te zijn voelt als bijna verdwijnen, alsof je dreigt op te lossen in een doelloze brei van alsmaar hetzelfde. Maar ook ligt aan deze ervaring een essentieel verlangen ten grondslag: je bent samen. Niet alleen. Je hoort als bewegend en ademend wezen bij een soort en alleen dat simpele feit geeft je al bestaansrecht. Dat hoef je dus niet te verdienen. Dat lucht op.”
Waar is God nog?
„Ik zie een parallel tussen mystieke ervaring en de creatieve ervaring tijdens het maken van kunst. Bij beide weet je niet of het komt, maar verlang je er intens naar. Soms ben je wanhopig, denk je dat het er nooit meer zal zijn, dat je beter iets anders kunt gaan doen.
De onzekerheid is zo groot omdat je iets nieuws wilt maken, iets wat nog niet bestaat, en wat je dus ook niet kent. Het gaat er om jezelf zo te conditioneren dat je in een open geesteshouding komt.
Er is een zekere geestelijke nood nodig. Kunst is niet per se mooi, er moet een ongeluk gebeuren wil iets moois kunst worden.
Als ik kunst maak, kan ik me soms heel megalomaan een soort God voelen. Ik zie mijn schepping, en zie dat het goed is, tenminste, dat het niet anders kon zijn. Vaak had ik wat anders in gedachte en was ik het zó niet van plan maar daardoor is het beter geworden dan ik had kunnen denken. Er zit dan iets onnavolgbaars in.
Soms stel ik me voor dat God er blij mee is, als hij iets van mijn werk ziet. Dat hij denkt: het is niet perfect, ik zou het anders hebben gedaan, ik heb het niet bedacht, maar ik reken het wel goed. Hij zal toch nooit gedacht hebben dat de door hem geschapen mensen van de door hem geschapen bomen violen zouden snijden om daar prachtige muziek mee te maken?”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.