*

 

Vreugdetranen over de velden

Henny de Lange − 04/04/08, 00:00

De Chinese kunst heeft zich sinds Mao’s dood in sneltreinvaart ontwikkeld. Het Groninger Museum komt met ’Tekens aan de wand’.

Op één van de schilderijen van Wenda Gu op de tentoonstelling van Chinese kunstenaars in het Groninger Museum, laat hier en daar de verflaag los. Het doek moet dringend gerestaureerd worden, wat voor nog enkele schilderijen op deze expositie geldt. Maar toen gastconservator Cees Hendrikse daar op aandrong bij Wenda Gu, begon deze te lachen. Restaureren? Dat vond hij onzin, daar deden ze niet aan in China. Hij maakte wel een nieuw schilderij.

Dit voorval is tekenend voor de scheppingsdrift die Chinese kunstenaars heeft bevangen sinds de dood van Mao Zedong in 1976, die het einde van Culturele Revolutie inluidde. Maar het zegt ook iets over de stormachtige groei van de economie en de consumptiedrift in China. Het gemak waarmee daar nog betrekkelijke jonge gebouwen worden gesloopt om plaats te maken voor nieuwbouw, zie je volgens Hendrikse ook weerspiegeld in de kunstwereld.

Cees Hendrikse, oud-directeur personeelszaken van de Gasunie in Groningen en kunstverzamelaar, reist sinds medio jaren negentig elk jaar een paar keer naar China om kunstenaars op te zoeken. Vanwege zijn kennis van de Chinese moderne kunst en zijn contacten daar vroeg het Groninger Museum hem als gastconservator voor de tentoonstelling over Chinese kunst uit de jaren tachtig en negentig. ’Tekens aan de wand’ bedacht Hendrikse als titel omdat veel schilderijen iets weergeven van de sfeer die toen heerste in China. „Het is bijna allemaal kunst die reflecteert aan wat daar toen gebeurde.” Moderne Chinese kunst heeft een sterke maatschappelijke lading en dat is ook het boeiende, vindt hij.

Na de dood van Mao grepen kunstenaars die tijdens de Culturele Revolutie opgeleid waren om sociaal-realistische propagandakunst te maken, de verworven vrijheid aan om echte realistische kunst te maken. Zo schilderde Ai Xuan een invalide meisje dat een boek leest. Voorheen zou dat onbestaanbaar zijn geweest: invalide mensen werden niet geportretteerd, laat staan met een boek. Ontroerend mooi zijn de doorgroefde koppen van het Yi-bergvolk, die Gao Xiaohua in 1983 schilderde. Eén van de beroemdste werken die dit nieuwe realisme heeft voortgebracht, en nu uitermate actueel, is het schilderij van Chen Danqing van Tibetaanse boeren die zojuist via de draagbare radio, die één van hen triomfantelijk omhooghoudt, hebben gehoord dat Mao dood is. Er vloeien vreugdetranen over de velden, luidt de titel. De boeren huilen van blijdschap dat Mao dood is, maar ook vanwege de oogst die ze zullen binnenhalen. Al even intrigerend is het schilderij ’De derde generatie’ dat He Duoling en Ai Xuan samen maakten van studenten van de kunstacademie. De schilders lijken een vooruitziende blik te hebben gehad, want enkele van deze studenten zouden het nog ver schoppen, zoals de jongeman met bril op de voorgrond. Zhangh Xiaogang is inmiddels wereldberoemd geworden met zijn Bloedlijn-schilderijen, waarvan er ook twee op de expositie te zien zijn.

Naast het nieuwe realisme ontstonden ook avant-gardistische kunstenaarsgroepen die, geïnspireerd door westerse theorieën en stromingen, een heel andere weg insloegen. Ze begonnen te experimenteren met allerlei materialen en vormen. Vaak klinkt in hun werk kritiek, ironie of sarcasme door over de machthebbers. De belangrijkste stroming was de Stars groep met kunstenaars als Wang Kepin, die de spot dreef met de buitenissige persoonlijkheidscultuur rond Mao, door deze in de sculptuur ’Idol’ af te beelden als een kruising met Boeddha. Er ontstond zoveel ophef over, dat het beeld na de eerste presentatie in 1979 nooit meer is tentoongesteld.

Een ander lid van de Stars groep, Ma Desheng, maakte als eerste een schilderij over de vrije marktwerking. Ook de kunstenaar en architect Ai Weiwei, die een solopresentatie heeft in het Groninger Museum, maakte deel uit van deze groep.

Uit deze stromingen ontstond medio jaren tachtig een golf van nieuwe kunstenaarsgroepen, betiteld als New Wave. Deze beweging eindigde in 1989, een dramatisch jaar. Op het Tiananmenplein maakte het leger op bloedige wijze een eind aan massademonstraties tegen de regering. In diezelfde periode sloot de overheid de eerste tentoonstelling in China over moderne kunst, nadat bij de opening een kunstenaar als onderdeel van een performance een pistoolschot had gelost.

De afkeer van de politiek en het pessimisme over de toekomst manifesteerden zich in de daarop volgende jaren ook in de kunstwereld. Tegen de verdrukking in ontstonden nieuwe stromingen als het cynisch realisme en de Chinese popart. Deze kunstenaars produceerden ironische of hilarische beelden die de eigen generatie een spiegel voorhouden. De bekendste kunstenaars zijn Yue Minjun met zijn grijnzende zelfportretten en Fang Lijum met zijn portretten van kale, geeuwende en zichtbaar verveelde jongens die met zichzelf en de buitenwereld lijken te spotten. In deze periode gingen kunstenaars ook zichzelf schilderen en hun familie. De familieportretten van Zhang Xiaogang, die wereldwijd als warme broodjes over de toonbank gaan, verwijzen naar de jaren ’50 en de Culturele Revolutie toen iedere familie thuis een foto van de gelukkige familie van vader, moeder en vaak één kind had hangen.

Het is voor het eerst dat in het westen in één tentoonstelling van de moderne Chinese kunst aandacht wordt besteed aan zowel het nieuwe realisme als de avant-gardekunst. Een explosie van creatieve energie voltrok zich in die twintig jaar.

Hendrikse: „In korte tijd maakte de Chinese kunstwereld een ontwikkeling door waar ze elders in de wereld soms eeuwen over hebben gedaan.” Maar wat deze periode ook zo boeiend maakt, is dat de Chinese kunst toen nog niet echt ontdekt was. Pas in de loop van de jaren negentig nam de westerse belangstelling sterk toe. In 1999 volgde de echte doorbraak op de Biënnale van Venetië. En sindsdien is Chinese moderne kunst big business. Voor miljoenen gaan schilderijen over de toonbank, wat onmiskenbaar gevolgen heeft. Waar kunstenaars de afgelopen decennia redelijk ongestoord konden werken, worden ze nu door galeriehouders onder druk gezet om te produceren.

Volgens sommigen is dat nu al te merken aan de kwaliteit van de kunst uit China, al zal dat lang niet voor alle kunstenaars opgaan. De meeste kunstenaars die nu hun werk laten zien in Groningen, zijn zo rijk geworden van het werk dat ze in de jaren tachtig en negentig hebben gemaakt, dat ze hun eigen weg kunnen kiezen.

Maar of dat ook geldt voor de jongste generatie kunstenaars? Daarover komt eind april misschien duidelijkheid op de expositie die dan wordt geopend in het Groninger Museum met recent werk van 25 jonge kunstenaars.

mailIcon print |