recensie Op aanstekelijke wijze vertelt Richard Holmes over de grote ontdekkingen van de wetenschap, vooral ten tijde van de Romantiek: over de botanicus Banks, de sterrenkundige Herschel en de scheikundige Davy . Verwondering was hun drijfveer, ze gingen op avontuur, zetten hun vak op hun kop en hielpen de wetenschap vooruit. Holmes weet dat mooi te vertellen, vindt Marinus de Baar.
Wetenschap en verwondering hebben altijd al bij elkaar gehoord. Of het nu iemand betreft die zich in zijn boomgaard verwondert over een appel die naar beneden valt (maar met verhalen over appels, of het nu om die van Eva, Paris of Newton gaat, moet je wel een beetje uitkijken), of dat het om een kind gaat dat een stok in het water steekt, zich erover verbaast dat die gebroken is, de stok uit het water haalt en het nog eens probeert: een empirisch wetenschapper in wording.
De Britse historicus Richard Holmes verbindt die verwondering vooral met de tijd van de Romantiek waarin het beeld ontstond van een oneindige, mystieke natuur vol geheimen die wachten op het eureka-moment waarop zij door een grote wetenschapper worden ontsluierd.
Behalve verwondering heeft wetenschap bij Holmes ook iets van een avontuur of ontdekkingsreis. Soms letterlijk, zoals in zijn verslag van de reis van de Britse botanicus Joseph Banks (1743-1820) die in 1768 met kapitein Cook meevoer naar Tahiti om er flora en fauna, taal en samenleving te bestuderen. Veldonderzoek noemen we dat nu. Ook op een andere manier onderzocht de jonge Banks ’het veld’: hij hield er een concubine op na, Otheothea, waaraan hij in zijn latere leven toen hij door ziekte aan huis was gekluisterd met enige warmte in zijn oude botten moet hebben teruggedacht. Hij was de enige niet; voor de matrozen van de ’Endeavour’, het schip van Cook, was Tahiti een seksueel paradijs. Er was op Tahiti gebrek aan metaal en het tarief was ’één scheepsnagel per gewone wip’, schrijft Holmes.
En dan is er het verhaal van een andere ontdekkingsreis, naar het legendarische Timboektoe aan de zuidkant van de Sahara en verder naar de binnenlanden van Afrika. Na terugkeer in Engeland werd Banks op jonge leeftijd voorzitter van de Royal Society en de spin in het web van de wetenschappen. Hij was het die zijn oog liet vallen op Mungo Park (1771-1806) en in hem de onverschrokken avonturier en onderzoeker herkende die hijzelf eerder op Tahiti was geweest.
Banks zorgde ervoor dat de Britse Africa Association aan Park opdracht gaf om op zoek te gaan naar Timboektoe en de rivier de Niger. Onderweg werd Park geplunderd en door Moren gevangengenomen. Hij ontsnapte en keerde terug naar Londen. Een tweede tocht naar de Niger is het wrede verhaal geworden van malaria en dysenterie, aanvallen door krokodillen, wilde honden en inboorlingen. Van Park en zijn veertig metgezellen heeft niemand het overleefd, alhoewel er lange tijd verhalen rondgingen dat Park nog in leven zou zijn en zich ergens in de buurt van Timboektoe zou ophouden.
Voor Banks en Park was elke horizon op aarde een uitdaging. De Britse astronoom William Herschel (1738-1822) bevoer de nachtelijke hemel en reisde tussen de sterren. Oorspronkelijk kwam Herschel uit Hannover maar om de dienstplicht te ontlopen vestigde hij zich in het Britse Bath. Daar hield hij zich in leven met het geven van muzieklessen, componeerde zo’n vierentwintig symfonieën en enkele hoboconcerten, en construeerde telescopen.
Overdag dus muziek, en ’s nachts observeerde Herschel de partituur van het hemels concert. Hij was erg geïnteresseerd in sterrennevels (vooral onze eigen Melkweg). Zijn grootste bekendheid dankt Herschel aan diens ontdekking van Uranus, de zevende planeet van ons zonnestelsel. Een bijzondere prestatie, want sinds de oude Grieken waren er geen nieuwe planeten meer in ons zonnestelsel ontdekt.
Joseph Banks speelde ook hier de rol van wetenschapsmakelaar die Herschel introduceerde bij de koning, die hem benoemde tot zijn persoonlijk sterrenkundige. Banks zorgde er voor dat Herschel koninklijke subsidie kreeg voor het bouwen van een groot formaat telescoop. Zo’n telescoopbuis was inderdaad behoorlijk groot. Je kon er zelfs doorheen lopen – George III en de aartsbisschop van Canterbury waren ooit op bezoek bij Herschel waarbij de koning zijn hand reikte aan de aartsbisschop (die moeizaam achter hem aanstruikelde door zo’n telescoopbuis) en daarbij sprak: „Kom bisschop, ik zal u de weg naar de hemel laten zien.”
Herschel speelt een verdiende hoofdrol in het boek van Holmes. Hij heeft de sterrenkunde compleet op zijn kop gezet. Eeuwenlang had men de kosmos opgevat als een gewelf waarin ons zonnestelsel omringd zou zijn door een kring van vaste sterren. Een statisch beeld dus. Herschel ontdekte dat de kosmos een voortdurend veranderend geheel is waarin sterren ontstaan en vergaan. Aan de hand van de dichtheid van een sterrennevel kon Herschel er de ouderdom van bepalen, omdat een sterrennevel gecomprimeerder was naarmate die ouder was als gevolg van de samentrekkende zwaartekracht. Herschel vergeleek sterrennevels met planten die ontkiemen, bloeien, weer verwelken en uitsterven. Zijn kosmologie kreeg zo een evolutionaire dimensie waarin sterrennevels qua ouderdom konden worden ingedeeld op basis van bepaalde criteria. En wij? „Wij wonen op de planeet van een ster die deel uitmaakt van een samengestelde nevel [de Melkweg] van de derde klasse.”
Dezelfde ontwikkeling van een statische naar een dynamische interpretatie van de elementen zie je in die tijd bij de scheikundige Humphry Davy (1778-1829), die wij vooral kennen als ontdekker van de mijnwerkerslamp. In Davy’s tijd ging men de vier aloude elementen, aarde, water, vuur en lucht, verder analyseren en ontbinden en kreeg men beter zicht op veranderingsprocessen (verbranding, respiratie en oxidatie). Davy’s natuur werd doorstroomd van leven en energie en veranderde voortdurend. Hij zocht naar de overkoepelende wetten, de drijvende krachten en de bezielende beginselen, die dit alles beheersen. Davy correspondeerde met dichters en schreef zelf menig vers. Dat alles verbindt hem met de Romantiek die bij Holmes altijd dichtbij is.
Nuchtere Britten en bevlogen Romantiek; dat lijkt een curieuze combinatie: bij de Romantiek denk je toch eerst aan Duitsland en Frankrijk, aan natuurlyriek en ’Naturphilosophie’, eerder dan aan scheikunde en Tahiti. Davy’s scheikunde wordt echter doorstroomd door dezelfde gedachten als de Duitse ’Naturphilosophie’. En de droom van le bon sauvage (de goede, nog onbedorven wilde die ook Tahiti zou bevolken), was niet minder romantisch. Het aardige van Holmes’ boek is dat hij de Britse Romantiek (die wel degelijk bestond, denk maar aan dichters als Shelly en Keats) verbindt met wetenschap en verwondering. En dat doet hij op vooral verhalende wijze. Vanaf het eerste hoofdstuk, ’Joseph Banks in het paradijs’, merk je dat Holmes een vaardig verteller is. Wetenschapsgeschiedenis bijna als een roman: dat is ’De tijd van verwondering’.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.