*

 

Na de ouverture raakt Niccolò uit zicht

Bas Belleman − 28/11/09, 00:00

recensie Arjan Visser heeft zijn talent al meermaals bewezen. Maar ’Paganinipark’ blijft steken in onuitgewerkte verwijzingen naar hemel en hel. Ook de held blijft een schimmige figuur.

Een jongetje wordt een dag te laat geboren en is daardoor verdoemd. Dat had zijn grootmoeder Maria Di Montelibretto al vijf jaar tevoren voorspeld. Was hij één dag eerder ter wereld gekomen, dan zou het zijn ’alsof de wedergeboorte van de verlosser eindelijk had plaatsgevonden’ en dan was hij vast niet op zijn 21ste overleden. „Che dolore! Povera me!”, denkt zijn moeder Angelina.

Het schalt en schittert in de eerste pagina’s van Arjan Vissers nieuwe roman ’Paganinipark’. God en de duivel, toekomstvoorspellingen, gepassioneerde Italianen, een grootmoeder die sterft op de dag dat het jongetje wordt verwekt, een nietsnut van een vader die bier drinkt naast het kraambed en ga zo nog maar even door. Dat belooft wat.

Na zo’n ouverture verwacht je toch niet dat de hoofdpersoon, het verdoemde jongetje, een kartonnen personage blijft? Toch gebeurt dat.

Niccolò kan van jongs af aan vreselijk mooi zingen, maar meer komen we over hem nauwelijks te weten. Over zijn verlangens en frustraties lezen we weinig. Liever vertelt Visser over de mensen om de jongen heen: niet alleen zijn moeder, maar ook Gabriël Wezenman, de middelmatige volkszanger met wie Niccolò het succesvolle duo ’De Paganini’s’ vormt. Niccolò is de ster, Wezenman staat in zijn schaduw; na Niccolò’s dood weet hij geen raad met zichzelf.

Tragisch, maar de lezer blijft toch nieuwsgieriger naar Niccolò dan naar de anderen, waardoor je het gevoel krijgt als een mot om de lamp heen te vliegen: bij de goddelijke zanger kom je niet, in plaats daarvan blijf je met de andere personages in de periferie hangen.

Het lijkt wel alsof Visser zijn eigen goddelijke of duivelse personage niet in de ogen heeft willen kijken. In plaats daarvan wordt de lezer afgescheept met allerlei oppervlakkige verwijzingen naar hemel en hel.

Zo is Niccolò vernoemd naar de violist Paganini, die zijn ziel aan de duivel zou hebben verkocht, en uiteindelijk loopt hij inderdaad, in Paganinipark, een man tegen het lijf die Anthony Drake heet. Drake, draak, duivel, want nomen est omen in deze roman. Een pact sluit Niccolò overigens niet, wat de verwijzing weinig doeltreffend maakt.

En zo zijn er talloze voorbeelden. De onzekere Wezenman (’wees een man’) krijgt een affaire met een vrouw en ontmoet haar wekelijks in een hotel dat ’De duif’ heet. Je denkt aan vrede en heilige geest, maar het is onduidelijk waarom het plezier van Wezenman zulke hemelse proporties moet aannemen.

En dan is er Niccolò’s achternaam: Stokvis. Als hij bovendien liedjes zingt als ’kusje voor mama’ en ’niets is zeker’, denk je natuurlijk aan de palingsound, maar waarom is Visser eigenlijk op die associatie uit? Zijn Volendammers soms duivelskunstenaars? En is het trouwens de bedoeling dat we nog even aan Marco Borsato denken, die ook van Italiaanse afkomst is?

Voor zijn debuutroman won Arjan Visser, Trouwlezers welbekend door zijn ’Tien geboden’-interviews, de Anton Wachterprijs, bovendien werd het boek genomineerd voor de AKO Prijs. En niet voor niets. Ook in ’Paganinipark’ steekt Vissers talent soms de kop op. Bijvoorbeeld als de weifelachtige Wezenman een tatoeage van een hartje op zijn bil laat zetten om zijn minnares zijn liefde te tonen. „Laat haar op zijn minst niet ontevreden zijn”, denkt hij. Je voelt meteen dat deze geste haar koud zal laten. Ze krijgt hem trouwens niet eens te zien, want de moord op Niccolò komt ertussen.

Maar zulke oplevingen redden het boek niet. Want Wezenman is alleen interessant in het licht van Niccolò. Doordat Niccolò nauwelijks aan bod komt, komt het contrast met Wezenman ook niet goed uit de verf.

mailIcon print |