*

 

Hij was er, ook als ik hem niet zag

Annemarié van Niekerk − 28/11/09, 00:00

recensie Over liefde schrijven is moeilijk. Hiromi Kawakami lukt het wonderwel in de hypnotiserende roman ’De tas van de leraar’. Haar typisch Japanse terughoudendheid maakt deze roman zo ontroerend.

Om te zien wat een auteur waard is, moet je hem of haar een liefdesverhaal laten schrijven. Want niets vergt zoveel behendigheid als het omzeilen van de valkuilen sentimentaliteit en overdreven romantiek. De Japanse Hiromi Kawakami (Tokyo, 1958) is de uitdaging aangegaan.

Kawakami’s hoofdpersoon Tsukiko is een nuchtere, alleenstaande vrouw van 38 die zich niet al te veel stoort aan de verwachtingen en eisen die er in de samenleving over haar en haar seksegenoten leven. De vrije uren na het dagelijks werk brengt ze etend en drinkend in haar stamcafé door.

Op een gepassioneerde liefde rekent ze al lang niet meer. Maar dan komt ze, na een vrijgezellenbestaan van ruim twintig jaar, haar vroegere leraar tegen. Vanaf dat moment beginnen de twee elkaar regelmatig te zien, ook overdag.

Hoewel zich na verloop van tijd een wederzijdse genegenheid ontwikkelt, heeft Tsukiko noch Sensei behoefte aan een meer geregelde verhouding. Over gevoelens wordt niet gesproken; het contact beperkt zich tot gezamenlijke activiteiten en gesprekken over koetjes en kalfjes.

Even ingetogen als de relatie tussen Tsukiko en Sensei is de geserreerde, afgemeten, hier en daar zelfs lakonieke manier waarop Kawakami erover schrijft. Elke vorm van psychologiseren blijft achterwege; het accent ligt geheel op het concreet-zintuiglijke en feitelijk waarneembare.

Als je niet beter wist, zou je haar verteltrant ongekunsteld noemen. Maar de minimalistische stijl die ze in deze roman hanteert is in de Japanse literatuur niet ongewoon. Je vindt haar met veel raffinement toegepast in het werk van Yasunari Kawabata, de auteur van de meesterlijke roman ‘Duizend kraanvogels’ (1951) waaraan ‘De tas van de leraar’ af en toe doet denken, al heeft Kawabata’s theeceremonie hier plaatsgemaakt voor het nuttigen van sake in een buurtcafé.

Beetje bij beetje gaan de incidentele ontmoetingen van Tsukiko en Sensei over in meer geregelde afspraken. Lange tijd is er nog sprake van vriendschap zonder meer, totdat Sensei hardop zegt dat het nu tijd is voor een echte ‘date’. Maar wat er vanaf dat moment nu anders is in vergelijking met de voorgaande uitstapjes wordt geen van beiden echt duidelijk.

De betrekkelijkheid van Sensei’s reële aanwezigheid doet zich ook voor in de manier waarop Tsukiko de tijd ervaart. Hoewel ze veel jonger is dan Sensei en ondanks haar besef dat ze nooit werkelijk volwassen is geworden, voelt ze – net zoals dat het geval is bij de liefdesverhouding van Kawabata’s personages – het leeftijdsverschil niet. Ouderdom is immers relatief, gegeven de in Japan geldende overtuiging dat de tijd beweegt in terugkerende cirkels.

Typerend voor deze relatief koele, weinig emotionele karakters is dat ze de liefde pas ervaren wanneer er sprake is van afwezigheid en verlies. Dan beseft Tsukiko heel rationeel en berustend: „Zo vaak zag ik Sensei dus niet. Dat was natuurlijk logisch, aangezien hij niet mijn minnaar was. Maar ook als ik hem niet zag, was hij nooit ver weg. Sensei bleef altijd Sensei. Hij was er gegarandeerd, ergens in deze nacht.’

Wanneer de gelieven drie jaar samen zijn, sterft Sensei. Gelaten aanvaardt Tsukiko zijn dood. De terloopsheid waarmee daarvan melding wordt gemaakt, treft de lezer des te sterker, zeker omdat er net een eerste nacht van erotische passie eraan vooraf is gegaan. Tsukiko’s verdriet wordt indirect gesuggereerd via een verwijzing naar de boekentas die Sensei haar heeft nagelaten. Als ze die tijdens eenzame avonden openmaakt, gaapt hij haar met een ‘hopeloze leegte’ aan.

Rouwen om haar minnaar kan ze pas na een gesprek met zijn zoon. Die duidt zijn vader niet aan als Sensei (‘leraar’), maar noemt hem bij zijn ware naam, Harutsuna. Voor Tsukiko is dat een onbekende. „Voor ik Sensei goed en wel had leren kennen, was hij me al ontnomen, besefte ik, en daardoor kon ik huilen.”

Het lezen van deze roman heeft een hypnotiserend effect, vergelijkbaar met dat van een langzaam stromende rivier. Dat is geen toeval, want in de Japanse cultuur is de overgave aan en reflectie op ‘het vlietende leven’ een bekend levensbeschouwelijk begrip. Kawakami’s liefdesverhaal sleurt je niet met dwingende kracht mee, maar doordrenkt je met een mengsel van sereniteit en melancholie.

mailIcon print |