*

 

Een afkeer van egotripperij

Annemarié van Niekerk − 17/10/09, 00:00

recensie Reikhalzend was uitgekeken naar de memoires van de flamboyante Zuid-Afrikaanse schrijver André Brink. Maar ’Tweesprong’ gaat minder over diens privéleven, dan om de vraag hoe het land en de tijd hem vormden.

Elke literatuur kent schrijvers die hun publiek niet alleen intrigeren dankzij hun werk, maar ook vanwege een kleurrijke levensloop. Wanneer zo’n auteur zijn memoires aankondigt, kijken vriend en vijand er reikhalzend naar uit, ook al heeft de schrijver zelf zijn bedenkingen. Fascinerend voor het publiek, maar weerspannig als het gaat om de publieke nieuwsgierigheid te bevredigen: dat is André P. Brink. In de epiloog van het pas vertaalde ’Tweesprong’ bekent hij dat hij dit boek jaren lang uit de weg is gegaan. Toen hij het eindelijk had voltooid, voelde hij zich nog altijd ongemakkelijk bij wat hij per definitie ziet als gekunsteldheid en egotripperij.

Wat is er zo fascinerend aan Brink? Het moet te maken hebben met de gepassioneerde manier waarop hij zich stort in ondernemingen waarin hij gelooft, ongeacht of ze stroken met de opvattingen van de Afrikaner gemeenschap waarbinnen hij opgroeide en waarvan hij als schrijver voor een belangrijk deel afhankelijk is. Vooral zijn kritiek op het apartheidsbewind heeft hem voorgoed gebrandmerkt als een nestbevuiler. Maar ook zijn verhouding tot het calvinistische geloof der vaderen en zijn vrijgevochten houding in zaken van liefde en huwelijkstrouw wekten afschuw.

Wie nieuwsgierig heeft uitgezien naar onthullingen aangaande Brinks privéleven, zal waarschijnlijk teleurgesteld zijn. Anders dan zijn flamboyante imago doet vermoeden is de schrijver hier ingehouden, eenkennig zelfs. Dat geldt vooral de vrouwengeschiedenissen waarin hij betrokken was; van zijn gevoelens geeft hij pas blijk als het gaat om zijn huidige echtgenote Karina, en om een minnares die hij aanduidt als H.

Brink besteedt de meeste ruimte aan zijn politieke bewustwording, zijn vormingsjaren in Europa en zijn betrokkenheid bij de strijd tegen de apartheid. De maatschappelijke context is voor hem belangrijker dan het eigen ik, de getuigenis van deelname aan een historisch veranderingsproces weegt zwaarder dan particuliere herinneringen en bespiegelingen. Grote uitzondering is het hoofdstuk over zijn verhouding met de dichteres Ingrid Jonker, voor hem de belichaming van hartstocht en vrijheid, voor de buitenwacht een cultfiguur vanwege haar zelfgekozen verdrinkingsdood. Jonker werd internationaal bekend toen Nelson Mandela bij zijn inhuldiging als de eerste democratisch gekozen president haar gedicht ’Die Kind’ voordroeg.

In plaats van zichzelf in het middelpunt te plaatsen, focust Brink vooral op zijn geboorteland en zijn geschiedenis, maar dan wel gezien vanuit zijn perspectief. Hij is ruimhartig in zijn aandacht voor prominente en minder prominente figuren die hij in de loop der jaren heeft meegemaakt en is niet karig met het uitspreken van zijn waardering als het zo te pas komt.

Dat geldt ook voor zijn vader, zijn moeder en zijn zuster Elbie. Over zijn andere zuster, zijn broer, zijn vier ex-vrouwen en zijn kinderen is hij weer tamelijk zwijgzaam. Het levert storende lacunes op voor lezers die geïnteresseerd zijn in een min of meer compleet beeld van de persoon Brink.

Daar staat tegenover dat deze memoires weer bijzonder mededeelzaam zijn als het gaat om Brinks vorming, die niet enkel het gevolg was van de omstandigheden waaronder hij opgroeide, maar daar ook dwars tegen in ging. De illusies die hem als kind eigen waren, maakten op latere leeftijd plaats voor ontnuchtering. Dat geldt bijvoorbeeld voor de ambivalente kijk op zijn vader, werkzaam als rechter: „Met God in zijn hemel en mijn vader als magistraat zou het recht op deze wereld zegevieren.” Zowel God als vader viel van zijn voetstuk. En dan is er de schok waarmee hij ontdekte dat de plaatselijke predikant vrouwelijke gemeenteleden het bed in lokte en zijn eigen echtgenote mishandelde. Het zijn ervaringen die de thematiek van zijn werk mee hebben bepaald.

Treffend is ook de eerlijkheid waarmee Brink opbiecht hoe hij de lievelingspop van zijn zus keelde en begroef, hoe hij als kind met een bijl lostrok op de doornbomen in de tuin van het ouderlijk huis, hoe heerszuchtig hij was en ook dat sommige van zijn boeken door uitgevers werden geweigerd omdat ze simpelweg niet goed genoeg waren.

Andere fascinerende aspecten die hij uitlicht zijn het geweld in het Zuid-Afrika van toen en nu, de relaties tussen theater en religie en theater en sport, en tenslotte de huidige verhouding tot zijn geboorteland. Aan de ene kant laat hij zich van zijn meest pessimistische kant zien als het om Zuid-Afrika’s toekomst gaat, aan de andere kant maakt hij geen geheim van zijn verknochtheid en van de onwilligheid die hij voelt als hij overweegt om, als zoveel andere blanken, te emigreren.

De lezer legt deze memoires weg met gevoelens die in hun tweeslachtigheid de hierboven beschreven stemming van Brink nabij komen. Er is een zekere teleurstelling omdat de schrijver ons de toegang tot zijn binnenste weigert, en tegelijk waardering voor zijn politieke integriteit en sociale verantwoordelijkheid, die overigens nergens geforceerd worden opgedrongen. Het zou heel goed opzet kunnen zijn dat Brink de sluier nu eens optilt en dan weer neer laat, want, zoals hij zelf zegt, de waarheid ligt ’niet in het woord en niet in de stilte, maar in de onderlinge spanning’.

mailIcon print |