recensie Weer wat nieuws: een wijsgerige thriller. René van Delft laat zijn speurder ronddwalen tussen filosofiestudenten.
Na de medische thriller, de financiële whodunit en het historische moordverhaal is er nu de filosofische thriller: het misdaaddebuut van René van Delft (1965), die al eerder een roman over het puberbestaan afleverde. ’Het wezen moet verschijnen’ begint op een toon die eerder hoort bij de ouderwetse Amerikaanse privédetective: man krijgt luierend in de tuin een vaag telefoontje van iemand die een moordzaak nog eens beter uitgezocht wil zien dan de politie deed. En dat alles op een prettig beknopte toon: ’De Roode hier. Ik heb een klus voor je.’
De jonge man in kwestie is Stefan van der Weide, de tuin staat in zijn woonplaats Ruurlo en Stefan moet de moordenaar van een oudere vrouw in Amsterdam gaan zoeken in het milieu van filosofiestudenten in die stad. Lastige types die Van der Weide het best aan het praten krijgt door zichzelf uit te dossen als student wijsbegeerte.
Niet lang daarna treffen we onze filosofiespeurder aan in een omgeving die onmiskenbaar de filosofiefaculteit is van de Universiteit van Amsterdam. In dezelfde bondige stijl als in het begin ontmoeten we de pedante docent, de intellectueel-aantrekkelijk-zonderlinge studente en zo nog een paar vreemde verdachten. De belangrijkste van hen ontmoeten we helemaal niet: deze student, die in een email een soort bekentenis leverde, ontwikkelt zich tot mystery guest naar wie Van der Weide steeds wanhopiger op zoek gaat. En die zich soms heel even laat zien – of toch niet? Deze queeste loopt mooi parallel aan de colleges die de zogenaamde student moet volgen, waarin de filosoof Hegel centraal staat en waarin docent en studenten stevig debatteren over vragen als: bestaat een wezen pas als het zich openbaart?
De auteur studeerde zelf ook filosofie en hoe aardig hij dat ook in dit boek verwerkt, de wezenlijke discussies gaan op een bepaald moment wel erg (pagina’s-)lang doorlopen. De vele woordgrapjes, die voor een insider wellicht goed te verdragen zijn, worden storend. Aardig is dan wel weer een scène waarin de speurder aanschuurt tegen waanzinnigheid. „Wie was ik? (-) Een snookerbal die botste op de grenzen van mijn mogelijkheden.”
Die lange filosofische uitweidingen – zijn er nog redacteuren die de rode pen hanteren? – zouden nog niet erg zijn, ware het niet dat Van Delft de plot van zijn moordzaak uit het oog lijkt te verliezen. De vraag die de spanning er heel lang in moet houden – gaat het wezen ofwel de moordenaar überhaupt nog wel verschijnen? – beantwoordt hij te abrupt om het genre ’filosofische thriller’ meteen waar te maken.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.