*

 

Iedere tijd z'n eigen gekte en behandeling

Nicole Lucas − 17/10/09, 00:00

recensie Aan de hand van de levens van min of meer bekende vrouwen schetst de Britse auteur Appignanesi ’de opmars van de dokters van de geest’. Bereikten vrouwelijke psychiaters meer dan mannelijke?

Waar te beginnen: met het verhaal van Mary Lamb, die in een vlaag van waanzin in 1796 haar moeder doodstak, krankzinnig werd verklaard, maar vervolgens toch ’een productief leven in vrijheid’ kon leiden?

Of met dat van negentiende-eeuwse Alice James, die tot haar grote verdriet vaak achtergelaten werd op sjofele hotelkamers, terwijl haar broers - onder wie de bekende Henry- naar school gingen of culturele uitstapjes maakten, maar zich uiteindelijk neerlegde bij het idee dat vrouwen „beperkte capaciteiten bezitten en dat te grote intellectuele inspanningen kwalijke gevolgen voor hen heeft”?

Of toch maar met dat van Zelda Fitzgerald, die zich als jonge vrouw in het Amerika van de roaring twenties niets gelegen liet liggen aan conventies, maar uiteindelijk een ontluisterend einde kende in een inrichting?

Het boek ’Gek, slecht en droevig’ van de Britse schrijfster Lisa Appignanesi, in 1946 als Elzbieta Borenztejn geboren in het Poolse Lodz, staat bol van dit soort bijzondere, doorgaans tragische levensverhalen, waarmee ze de geschiedenis van de psychiatrie, de opmars van de ’dokters van de geest’, in de laatste twee eeuwen illustreert. Het levert een beeld op dat duidelijk een ander is dan wat bijvoorbeeld de Nederlandse hoogleraar psychiatrie René Kahn schetst in zijn ’In de spreekkamer van de psychiater’. Waar deze een groot vooruitgangsgeloof aan de dag legt en daarvoor in de geschiedenis een bondgenoot vindt ( ’we weten steeds meer en kunnen daardoor steeds beter behandelen’), stelt Appignanesi dat bestudering van de geschiedenis juist leidt „tot een wantrouwige houding tegenover de zekerheden van het moment”. Ziekte is voor haar geen gegeven, maar het resultaat van een ’subtiel samenspel tussen culturele perspectieven en de verschuivende biologische werkelijkheid’.

Ieder tijd zijn eigen gekte, iedere tijd zijn eigen behandeling, betoogt Appignanesi, directeur van het Freud Museum in Londen. Met instemming citeert ze de filosoof Ian Hacking: „Elke generatie heeft haar eigen tamelijk strenge regels voor hoe hoe je gedraagt als je gek bent.”

Ze illustreert dat, zoals gezegd, aan de hand van de levens van bekende en een paar minder bekende vrouwen. Ze verklaart deze seksespecifieke keuze deels vanuit pragmatische overwegingen. Er zijn ’simpelweg’ veel ’uiterst boeiende vrouwencasussen’, die grotendeels bepalend zijn geweest voor de theorievorming in de psychiatrie. Daarnaast hangt wat als ’gek’ of ’krankzinnig’ wordt gedefinieerd nu eenmaal nauw samen met wat als typisch mannelijk en vrouwelijk gedrag wordt gedefinieerd, zo haakt ze aan bij Simone de Beauvoir, over wie ze eerder een boek schreef.

Dat kan gauw leiden tot een analyse waarin vrouwen vooral slachtoffer zijn van hun sekse, zoals toonaangevende feministen van de tweede golf betoogden die (mannelijke) psychiaters vooral zagen als de malicieuze handlangers van het patriarchaat die vrouwen „veroordeelden tot een beperkt bestaan in het keurslijf van een conventionele rol”. Zover gaat Appignanesi, die eerder ook een aantal thrillers schreef, niet.

Ze beschrijft, soms wel met verbazing, de oprechte betrokkenheid van menig psychiater bij het lot van zijn patiënten. Ook moet ze, tot haar openlijke teleurstelling (’mijn bevindingen waren soms anders dan gehoopt’) constateren dat een toenemend aantal vrouwelijke behandelaars niet tot een wezenlijke verandering in de praktijk van de geestelijke gezondheidszorg heeft geleid. Toch concludeert ze, ergens op eenderde van haar boek, dat er voor vrouwen weliswaar meer vrijheid is gekomen, „maar zo anders is de situatie er ook weer niet op geworden”.

En dat is dan meteen waarmee het - hier al daar wat al te overvolle - boek soms irritatie oproept. Neem een opmerking als: „Nieuwe vrijheden maakten het leven interessanter maar niet altijd eenvoudiger.” Tsja, maar is dat de psychiaters te verwijten? Diezelfde vraag dient zich aan bij haar constatering dat heel wat aspecten van ons bestaan inmiddels terecht zijn gekomen „op het bordje van de dokters van de geest, terwijl ze, wanneer het op actie of interpretatie aankomt, eerder thuishoren in een sociale en politieke context.” Waar René Kahn nauwelijks aandacht heeft voor de beperkingen van wat de psychiatrie vermag, biedt het betoog van Appignanesi wel weer erg weinig licht.

mailIcon print |