*

 

4213 door haar lippen aangeraakte peuken

Ger Leppers − 17/10/09, 00:00

recensie Als rijkeluiszoontje Kemal wordt gekoppeld aan de ietwat ’westerse’ Sibel, raakt hij hopeloos verliefd op zijn ouderwetsere nichtje Füsun. Met liefde en ironie beschrijft Pamuk een Istanbul op de drempel van een nieuwe, individualistische tijd.

Van een stad kun je houden zoals van een mens, zei een collega uit Antwerpen mij jaren geleden. En ja, zoals je van een geliefde elke rimpel en elke oneffenheid op de huid kent, en van elke gelaatsuitdrukking weet wat die betekent, zo kun je van een stad elk plein, elke steeg en historische gevel kennen, en de lichtval liefhebben, en de levenswijze en de mentaliteit van de inwoners.

Dat alles geldt zeker voor de manier waarop de Turkse Nobelprijswinnaar Orhan Pamuk houdt van zijn geboortestad Istanbul, een hartstocht die hij al eens uitvoerig heeft toegelicht in zijn mooie boek ’Istanbul. Herinneringen en de stad’.

Ook in zijn nieuwe roman, ’Het Museum van de onschuld’, heeft Pamuk een belangrijke plaats ingeruimd voor die merkwaardige stad - misschien wel de bijzonderste ter wereld, gelegen op twee continenten, aan de verbinding tussen twee zeeën, een kruispunt van de oude Griekse, de Byzantijnse, de Ottomaans-islamitische en de westerse beschavingen, die er zowel met elkaar botsen als elkaar verrijken. Beschrijvingen van de verschillende stadswijken, zeden en gewoonten beslaan een groot deel van het boek, en verklaren mee het handelen van Pamuks personages.

De roman speelt zich af in de late jaren zeventig en de vroege jaren tachtig van de vorige eeuw; de veranderingen die zich in die tijd in Istanbul - en in de mentaliteit van zijn bewoners - voltrokken heeft Pamuk – als midden-vijftiger een ervaringsdeskundige – met een liefdevolle en ironische arendsblik geobserveerd . Zoals de teloorgang van de traditionele Turkse openluchtbioscopen, waar de buren vanaf hun balkon commentaar leverden op de vertoonde films, die zij avond aan avond moesten aanzien.

Maar ook, en meer nog, beschrijft deze roman de opkomst van het westerse individualisme in de traditionele, op samenhang gerichte en op geruststellende voorspelbaarheid berustende, Turkse maatschappij. Pamuk beschrijft een tijd waarin de Turkse vrouwen zich massaal beginnen te blonderen om op westerse filmsterren te lijken, en waarin in welgestelde kringen seks voor het huwelijk voorzichtig ingang begint te vinden. Het kersverse vak van fotomodel gold in het toenmalige Turkije nog als ’een nieuw en verdacht beroep’.

De held van Pamuks roman, Kemal, een dweepziek, niet onvriendelijk rijkeluiszoontje zonder veel andere kwaliteiten dan dat hij zwembaden vol drank op kan, is voorbestemd om te trouwen met Sibel, een aantrekkelijke partij. Zij heeft in Parijs lessen gevolgd ’aan de Sorbonne’, is naar Turkse begrippen nogal vrijgevochten, en prettig en gemakkelijk in de omgang.

Kort voor hun verloving loopt de dertigjarige Kemal echter zijn twaalf jaar jongere nicht Füsun tegen het lijf. Zij krijgen een heftige verhouding die 44 dagen duurt, tot de avond van het verlovingsfeest van Sibel en Kemal in het Hiltonhotel.

Füsun verbreekt na die avond het contact, trouwt hals over kop en gaat met haar man Feridun inwonen bij haar ouders. Maar Kemal kan haar niet vergeten. Zijn verloving loopt op de klippen, en hij slaagt er na maanden in het contact met Füsun te herstellen.

Acht jaar lang, gedurende 1593 avonden, bezoekt hij daarna Füsun, haar ouders en haar man, om bij hen thuis te eten en televisie te kijken. In de loop van die acht jaren raakt Kemal steeds meer vervreemd van zijn vrienden, verwijderd van het sociale ballet dat de Istanbulse jetset opvoert in luxerestaurants en de lobby van het Hilton. Met Feridun werkt hij vagelijk aan een filmproject dat Füsun een sterrenstatus zou moeten opleveren.

Steels begint hij bovendien na enige tijd allerlei voorwerpen die met Füsun verbonden zijn, weg te nemen uit het huis van haar ouders. Onschuldige zaken zoals 4213 sigarettenpeuken die door haar lippen zijn aangeraakt, of een spel kaarten waarvan ze zich heeft bediend, en een porseleinen hondje dat op de televisie staat.

Al die voorwerpen zullen uiteindelijk de collectie vormen van het ’Museum van de onschuld’, dat Kemal aan het eind van het boek ter nagedachtenis van Füsun zal inrichten. Een museum als eerbetoon aan de relatie die je met een geliefde hebt gehad, individualistischer dan dat is nauwelijks mogelijk.

Het ’Museum van de onschuld’ is daardoor evenzeer een psychologische roman als een zedenroman. Maar Pamuk is op beide wapens een meester, en daarom zitten de twee elkaar zelden in de weg. Integendeel, vaak biedt de beschrijving van de gewoonten, gebruiken en opvattingen uit die dagen een handvat om het gedrag van de personages te verklaren.

Dat geldt misschien nog het meest voor Füsun. Het algemeen heersende conformisme, met zijn welhaast feodale familieverhoudingen, dwingt haar tot passiviteit. Bijna nooit spreekt zij over de gebeurtenissen een oordeel uit. Eigenlijk, zo begrijpt de lezer, wordt zij ook niet geacht er een mening op na te houden, dat doen anderen wel voor haar.

Haar gedragingen worden vrijwel nergens in het boek verklaard, maar haar beweegredenen worden door Pamuk met meesterlijke discretie gesuggereerd. Kemal is er steeds van overtuigd dat hij haar gevoelens doorgrondt, maar in haar sfinxachtige gedrag kent het hele boek lang een onderstroom van gemelijkheid die, zo realiseert de lezer zich aan het eind van de roman, weinig goeds kon voorspellen.

Lijdzaam heeft ze zich moeten schikken in een situatie waarover ze nooit enige controle had, maar die voor haar vernederend was. Het filmproject dat Kemal haar en haar man al die tijd voorspiegelde, en dat voor haar zo belangrijk was, heeft nooit zijn beslag gekregen. Hoezeer Füsun zich aan dat project vastklampte, hoezeer ze het zag als haar redding uit een passief bestaan, laat ze pas aan het slot van het boek merken. Voor de liefde, waar Kemal al die jaren zo obsessief van droomde, is het dan definitief te laat.

mailIcon print |