*

 

Arme Mendel, even godvruchtig als onmachtig lief te hebben

Hanny Alkema − 23/06/09, 00:00

recensie

’Hiob’ naar gelijknamige roman van Joseph Roth door Münchner Kammerspiele o.r.v. Johan Simons. Gezien 20/6 in Stadsschouwburg Amsterdam.

Groots van eenvoud zijn de enscenering en bewerking die Johan Simons heeft gemaakt van Joseph Roths ’Hiob’ uit 1930. Met de ondertitel ’Roman eines einfachen Mannes’ als leidraad legt Simons accenten, die de onbeduidendheid boven zichzelf doen uitstijgen.

Op toneel een ouderwetse carrousel met gekleurde lappen gordijn (decor: Bert Neumann), een licht ironische knipoog naar Bertolt Brechts epische theater. Daarin en omheen het verhaal van een doodgewoon Joods gezin in een klein dorpje in het tsaristische Rusland. Armoe heerst, maar vader Mendel Singer is godvruchtig en vroom, moeder Deborah zorgzaam en zuinig, zoons en dochter Schemarjah, Jonas en Myriam niet al te schrander, maar gezond.

De alledaagsheid krijgt een knauw als de jongst geboren zoon Menuchim zwaar epileptisch blijkt. Door dit tot begin van de voorstelling te maken, krijgt die tegenslag de omvang van een confrontatie. De eerste aanslag op Mendels godgewijdheid. Overigens net zo onbewust nog als wanneer hij zijn oudste zoons, die het broertje proberen te verstikken, aan hun oren wegsleurt. Niet uit deernis met Menuchim, maar omdat doden een zonde is.

Mendel is een variant op de bijbelse Job. Voor hem echter is niet warmte het richtsnoer van zijn geloof, maar een streng schuldbewustzijn. Treffend laat vertolker André Jung dat doorklinken in de mechanische herhaling van Mendels persoonlijke typering: „Ik ben een vrome Jood”. Hij mag zich even laten gaan in een zegenende omhelzing van zijn gezin als Jonas het Russische leger ingaat en Schemarjah deserteert, maar beproevingen ziet hij allereerst als een te ondergane straf.

In handen van Simons en Jung groeit Mendel uit van nondescripte figuur tot een archetype van de verstokte ziel. Iemand die zijn hart pas kan openen als hij alles kwijt is. Wanneer hij emigreert naar Amerika met achterlating van Menuchim – het beloofde land laat geen gehandicapten toe – en twee zoons kwijtraakt aan de oorlog, Deborah sterft van verdriet en Myriam gek wordt, pas dan beseft hij zijn onvermogen tot liefde. En vervloekt vol overgave zijn rigide godsbeeld.

Zo weldoordacht en sober als de voorstelling is opgebouwd, kernachtig als ware het een leerstuk, zo sterk werken de gekozen fragmenten op het gemoed. Met terugwerkende kracht veroorzaken sommige scènes zelfs een extra dreun. Zoals wanneer Mendel beseft hoe hij Deborah’s vraag destijds of hij zich voor haar oude lijf schaamde, met een hard „Ja” beantwoordde. Of het moment dat hij een kennelijke snaar raakte bij de muzikaal gevoelige Menuchim met een lepel en een theeglas, en dat zomaar heeft laten glippen.

Simons heeft weinig nodig om tegelijk een aangrijpend beeld op te roepen van ontworteling en cultuurschok: terwijl halverwege de carrousel draait en met fel gekleurde tl-buizen de dorpse sfeer verandert in Amerikaanse overdaad, klimt André Jungs Mendel over de scheidswand, duizelend van zijn eerste indrukken. Diens ongewilde nietigheid dan maakt je als vanzelf ontvankelijk voor zijn emotionele omslag en de hereniging ten slotte met zijn jongste. Onsentimenteel, maar diep roerend.

mailIcon print |