*

 

'Vroeger ging het om kleur, nu om de wijk'

Marijn Kruk − 18/04/09, 00:00

recensie Lamence Madzou was de leider van één van de grootste criminele jeugdbendes van Parijs. Hij schreef er een boek over.

Lamence Madzou is een gezocht man. Dit weekend is hij te gast bij TF1, komende week bij France 3. En dat is alleen nog maar de televisie. Vroeger was dat wel anders. Toen werd hij voornamelijk gezocht door de politie.

J’étais un chef de gang (Ik was een bendeleider) heet het boek dat hij heeft geschreven over zijn jaren als crimineel. Vandaag deelt hij zijn ervaringen met een groepje jonge sociologen tijdens een werkgroep aan het Parijse instituut voor sociale studies EHESS.

Dat Madzou op dit moment een veelgevraagd spreker is, verbaast overigens niet: sinds een paar weken staat het onderwerp van de bendes in Frankrijk hoog op de agenda.

Afgelopen maand publiceerde het ministerie van binnenlandse zaken een verontrustend rapport dat stelde dat zich op het Franse grondgebied 222 gewelddadige bendes bevinden met een harde kern van 2500 leden. Driekwart daarvan opereert in de regio Parijs.

Ondertussen rapporteerden Franse media vrijwel dagelijks over de bendes: twee jonge meisjes werden slachtoffer van een oorlog tussen twee rivaliserende groepen, en afgelopen weekend kwam een tiener om tijdens een ruzie op het Gare de Lyon.

Madzou (1972) kwam op vijfjarige leeftijd met zijn ouders uit Congo-Brazzaville naar Frankrijk. Zijn vader werkte bij de Congolese ambassade, zijn moeder was een dochter van een hoge legerofficier. Desondanks kwam hij al op jonge leeftijd in aanraking met een bende in de Parijse voorstad Evry. „Het begon vanuit een ongedefineerd gevoel van solidariteit tussen zwarte jongeren onderling” zegt Madzou. „ Nu is dat anders. Het groepsgevoel is niet langer gebaseerd op kleur of cultuur, maar op de wijk waar je woont.” Volgens Madzou blijven bendes nu ook meer in hun eigen wijk dan vroeger. „Wij trokken erop uit: Parijs in, naar het Gare de Lyon, het Gare du Nord of naar Châtelet-des-Halles, het grootste winkelcentrum van Europa in het centrum van Parijs.

Daar leverde Madzou strijd op leven en dood. Tegen rivaliserende bendes met name. Zijn eigen bende, The Fight Boys, telde op het hoogtepunt zo’n 150 leden. Messen, pistolen, zoutzuur, geen enkel wapen werd geschuwd in wat bekend zou komen te staan als ’De Driejarige Oorlog’ (1989-1991). „Op een gegeven moment beheersten we Parijs” zegt hij nonchalant. „Geen enkel lid van een rivaliserende bende uit de banlieue durfde de stad nog in”.

Nadat the Fight Boys de andere vijf grote bendes eenmaal hun suprematie hadden opgelegd, stortte Madzou zich in drugshandel en autodiefstal en knapte ’smerige klusjes’ op voor wie er maar betaalde. „Op een gegeven moment had ik vijf auto’s en veertien paar sportschoenen. In de bende ging het ook om solidariteit; vanaf nu draaide alles alleen nog maar om geld.” Madzou’s ’redding’ was zijn arrestatie en zijn uitzetting naar Congo in 1997. Hij belandde er midden in een burgeroorlog die hij niet begreep. Hij slaagde erin naar Frankrijk terug te keren, en bouwde een nieuw bestaan op, met vrouw en kind.

Als iemand een vraag stelt over het getal van de ’222 bendes’ lacht socioloog en banlieue-specialist Eric Hatzfeld, die naast Madzou zit, meewarig. „Dat getal is uit de lucht gegrepen” zegt hij. Hatzfeld ziet er vooral een politieke manoeuvre van president Sarkozy in. „Dit getal dook op toen het halve land in staking was.” Desondanks vindt Madzou het goed dat het thema van de bendes uit de schaduw is gehaald. Al waarschuwt ook hij voor dramatisering van het probleem.

Buiten op straat willen studenten van Madzou weten of hij politieke ambities heeft. „Wie weet”, zegt hij met een geheimzinnig lachje.

mailIcon print |