Op de overzichtstentoonstelling van de Italiaanse schilder Giorgio de Chirico in Parijs is ook zijn latere werk te zien. Het maakt hem er nog raadselachtiger op.
Zijn tijdgenoten dreven mee op de mode van die dagen: het fauvisme en het kubisme. Maar het werk van de Italiaanse schilder Giorgio de Chirico (1888-1978) stond geheel en al op zichzelf. „De meest verbazingwekkende schilder van zijn tijd”, noemde de Franse dichter Apollinaire hem. En kunstcriticus André Salmon omschreef hem als de ’kalmste onder de treurspeldichters’.
In de Parijse salons waar De Chirico in 1913 debuteerde, zorgde zijn werk voor sensatie. Zijn modellen met hun cylindrische vormen en helderdere kleuren, zijn verwarrende ’metafysische interieurs’ en natuurlijk zijn al even mysterieuze Italiaanse pleinen vielen op.
Iets verontrustends gaat er nog steeds uit van die pleinen, met hun onnatuurlijk perspectief en langgerekte schaduwen, vaak slechts bevolkt door standbeelden.
Italië inspireerde De Chirico, in het bijzonder steden als Ferrara en Turijn. Turijn was ook de stad waar de filosoof Nietzsche leefde voordat hij krankzinnig werd. „Ik schilderde onderwerpen waarmee ik het intense en mysterieuze gevoel tot uitdrukking trachtte te brengen, dat me overviel bij het lezen van Nietzsche”, schreef De Chirico in zijn memoires. „Zoals de melancholie van een mooie herfstdag of een middag in een Italiaanse stad.”
Zo luidden ook de titels van zijn eerste werken. Het raadsel van de klok (1911), Het raadsel van een herfstmiddag (1912), De nostalgie van het oneindige (1912), Melancholie van een mooie dag (1913).
Met zo’n onderwerpkeuze was het niet verwonderlijk dat De Chirico al snel de belangstelling trok van kunstenaars die zich interesseerden voor de rol van het onderbewuste. André Bréton, de paus van het surrealisme, hief hem hoog op het schild en zag in hem een belangrijke voorloper van de beweging. Schilders als Otto Dix, Salvador Dali, René Magritte, Max Ernst en Picasso – allemaal verklaarden ze zich schatplichtig aan De Chirico.
Een groot deel van de werken waarmee hij op zijn tijdgenoten zoveel indruk maakte, is nu te zien op de prachtige overzichtsexpositie in het Musée de l’Art Moderne de la Ville de Paris.
Daar is iets vreemds aan de hand. Als de bezoeker denkt dat hij alle bekende werken van De Chirico heeft gezien, blijkt hij pas op een derde van de expositie te zijn. Er bestaat namelijk nóg een heel andere De Chirico. Verketterd door de surrealisten en grotendeels genegeerd door de kritiek. Want wat was het geval?
Vanaf het midden van de jaren twintig was hij in de ban geraakt van de grote Renaissance schilders en begon hij de deugden van het klassieke vakmanschap te propageren.
Tot ontsteltenis van Bréton en de surrealisten, die hem afserveerden als ’verrader’ en ’renegaat’. Max Ernst beschrijft een scene uit 1933, waarbij Bréton De Chirico de huid volscheldt na het bezichtigen van een aantal nieuwe schilderijen. Bij een andere gelegenheid liep de ruzie zo hoog op, dat Bréton een schilderij van de ezel pakt en het vertrapte.
Zoals de Franse kunsthistoricus Gérard Audinet in de voortreffelijke tentoonstellingscatalogus duidelijk maakt, was die woede eenvoudig te verklaren: Bréton was ten einde raad; De Chirico had de surrealistische beweging geestelijk leven ingeblazen, maar door zijn stilistische ommezwaai dreigde hij er een afgesloten ruimte van te maken. De zuiverheid en de essentie van het surrealisme stonden op het spel.
Zijn ’verraad’ werd hem niet vergeven. Vanaf nu werd De Chirico genegeerd. Toch zou hij nog 60 jaar schilderen. Voor het eerst is ook dit latere werk op een overzichtsexpositie te zien, zoals zijn onwerkelijke aandoende pastiches van oude meesters (Fragonard, Raphael, Titiaan, Rubens) en zelfportretten waarin De Chirico poseert als stierenvechter of als priester.
Ook is er een serie barokke schilderijen met als hoogtepunt het uitzinnige Capriccio veneziano alla maniera di Veronese (1951). In deze fase begon De Chirico ook nieuwe versies van de Italiaanse pleinen uit zijn beginperiode te schilderen. Met name Andy Warhol was van deze remakes gecharmeerd.
Wat dreef De Chirico in deze periode? Was het meesterlijke ironie of tastte hij doelloos rond? Duidelijk is dat het latere werk de dwingende kracht mist van zijn vroege periode. Max Ernst had er zijn eigen verklaring voor: „Het vroegste werk draagt al de kiemen in zich van een op te lossen wanhoop over de onredelijkheid en de absurditeit van het menselijk bestaan, de natuur en de rest.” Ernst vatte het oeuvre van De Chirico samen als „één langgerekte suïcide.” Maar dan in grootse stijl.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.