*

 

Er is koffie, er is cake, en niemand doet naar

Jann Ruyters − 23/05/09, 00:00

recensie Begrafenissen zijn een dankbare bron van galgenhumor. Maar zelden reageerde een personage zo onbekommerd op de dood als in Nelleke Zanwijks ’Pierenland’.

Moeder is zo dood als een pier, als de dertienjarige Helena Hartsuiker de laatste blik (‘niet de beste’) op haar slaat. Nu lag moeder altijd al in bed. „Ze was zo verdrietig dat dood of leven haar weinig interesseerde”. Soms verstopte ze zich in de kast, soms zat ze op de vliering. Deze keer lag ze echter dood onder aan de trap waar ze twee keer gevonden werd. Een keer door Helena’s trage broertje Tonnie, die wegvluchtte naar zijn kamer om er nooit meer uit te komen, en een keer door Helena’s vader.

Helena zelf wordt erbij gehaald door haar tante Lena, moeders zus, die volgens Helena ’een paar graden warmer is dan andere mensen’ en van de dood haar beroep heeft gemaakt. „Bij de dood komt er iets vrij wat je in het normale leven niet tegenkomt,” zegt tante Lena. „De naarheid van de mensen kom je er niet tegen, dat ten eerste. Iedereen praat zachtjes. Er hangt liefde in de lucht. Er wordt koffie geschonken en bananencake gegeten. Mensen hebben alle tijd om bij elkaar te zitten, het werk is niet meer belangrijk, ze gaan herinneringen ophalen, zijn gedienstig. (..) De wet van Pierlala noem ik dat altijd.”

Daar zit wat in, denk je dan. Nu was de uitvaartindustrie al vaker het decor in satirische romans en films, van Evelyn Waughs ’The loved one’ tot aan de recente televisieserie ’Six Feet Under’. Lijken moeten nu eenmaal worden opgeruimd of bijgezet en die pragmatische benadering van de dood geeft de satiricus ruim de gelegenheid tot ontnuchterende grappen. De galgenhumor klonk echter nog maar zelden zo onbevangen als in ’Pierenland’, de derde roman van Nelleke Zandwijk waarin ze het woord geeft aan de dertienjarige Helena. Een meisje dat een hekel heeft aan meisjes in witte jurken maar dol is op haar praktische tante, de aflegster, die dode lippen aan elkaar lijmt met secondelijm (‘Ze was alles wat ik had. Ik deed alles wat ze zei.’) Ook een meisje met talent voor het vak. Helena blijft zelfs rustig als haar dode moeder begint te piepen als een oude schuur, als na een dag haar mond weer open gaat, en haar rechteroog op een kier staat: „Het was alsof ze met haar ziel probeerde te kijken”.

Nu zijn de vertelsters van Nelleke Zandwijk nooit hysterisch uitgevallen. In haar debuutroman ’De dag van de jas’ keek de jong volwassen Marina Vet even onbekommerd terug op haar jeugd in de dolle jaren zeventig inclusief streakende moeder. In opvolger ’Avonturen van een uitslover’ zwenkte de iets oudere, maar zeker zo goedmoedig gekke Antonia onbekommerd met foute mannen mee.

Toch voel je in ’Pierenland’ onder de vrijmoedige zinnen wel de woede en ontreddering dringen. Wat was er nou met moeder? Waar is vader? En wat heeft dat trage broertje? Het zijn vragen waar je geen antwoord op krijgt omdat Helena steeds weer wordt afgeleid door andere duistere gebeurtenissen of rare buren in het dorp Grimmelijkhuizen waar de familie woont. Zo moet ze absoluut een paar pagina’s door kletsen over tandarts Steurkeboom die altijd een tand trekt en altijd de verkeerde tot hij een keer een wang te pakken heeft, en over verpleegster Insulani, een Indiase vriendin van haar tante die ’van alle culturen wilde zijn’ en na haar dood plots uit het ziekenhuis verdwenen schijnt.

Echt ergens heen ga je echter niet met Helena, en waar je precies bent blijft ook verborgen. Dat er sprake is van foto’s die je op mokken kunt afdrukken, wijst erop dat haar verhaal zich in het heden afspeelt, maar qua familie had het even goed de jaren vijftig kunnen zijn.

Die ontheemdheid is lang niet zo erg; daar gaat het ook over tenslotte, en Zandwijks spitsvondige verbeelding sleept je wel mee. Maar op den duur verliest het wat van zijn spanning, die bizarre setting die aan niets doet denken, al die frisheid die wordt ingezet tegen dood en verderf. Dan wil je een vuistslag, en die blijft uit.

mailIcon print |